Publicaties Maart/April 2009:

- Verwachte gebruiksduur kantoorpand was bepalend voor willekeurige afschrijving
- Fiscale eenheid voor de Vpb
- Wetsvoorstel invoeringswet personenvennootschappen gewijzigd
- Lijfrentecontract aanpassen?
- Voortaan elektronisch factureren
- Weer vragen over BUA voorgelegd aan Europees Hof van Justitie
- Onderwijspersoneel kan soms toch vrijgesteld van btw worden uitgeleend
- Geen btw-aftrek op goederen en diensten gebruikt voor niet-economische activiteiten
- Pensioen; individuele waardeoverdracht en werknemersverklaring
- (Startende) Ondernemers krijgen makkelijker lening
- Nieuwe wet premiekorting oudere werknemers
- Rittenregistratie voor bestelauto vereenvoudigd
- Vastgoedexploitant had vrijheid om pand als bedrijfsmiddel aan te merken
- Wetsvoorstel digitaal procederen bij bestuursrechter ingediend
- Pensioenaanspraak wordt ook bij gedeeltelijke overdracht aan bv volledig belast
- Boete belastingontduikers naar 300 procent
- Inlenersaansprakelijkheid geheel van tafel wegens ontbreken onderliggende urenbriefjes
- Voor aftrek van scholingsuitgaven is geen inkomensverbetering vereist
- Vaste onbelaste onkostenvergoeding moet vooraf zijn gespecificeerd
- Versoepeling voorwaarden verliesverrekening over 2008
- Fiscus soepeler met belastingschuld bedrijf
- De nieuwe btw-regels vanaf 2010 nader bekeken
- Minder belasting op erven en schenken, bedrijfsoverdracht eenvoudiger
- Afdrachtvermindering S&O met terugwerkende kracht verhoogd
- Het belang van een correcte loonadministratie

Publicaties Januari/februari 2009:

- Vaste onbelaste kostenvergoeding moet vooraf zijn gespecificeerd
- Tijdelijke regeling willekeurige afschrijving gepubliceerd
- Onbelaste vergoeding ziektekosten
- Raad van Ministers akkoord met nieuwe Europese regels voor sociale zekerheid
- Uitzendbureaus en inleners hoofdelijk aansprakelijk voor voldoening minimumloon en minimumvakantiebijslag
- BUA onder vuur
- De doorbetaaldloonregeling in 2009:
- Commanditair vennoot kan toch zelfstandigenaftrek toepassen
- Bestuurdersaansprakelijkheid en het belang van de melding van betalingsonmacht
- Kleding wordt door vervuiling geen werkkleding
- EU-Hof: giften aan buitenlandse doelen aftrekbaar
- Man/vrouw firma: let op aangescherpt urencriterium
- Feitelijke onderworpenheid aan Griekse belasting was geen criterium voor vaststelling inwonerschap

Publicaties November/December 2008:

- Wijzigingen Wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht
- Klassiekervrijstelling toch aangepakt
- Fiscale stimuleringsmaatregelen en regeling werktijdverkorting vanwege kredietcrisis
- Controlepunt fiscus 2008: de vaste kostenvergoeding
- Successierecht: verlaging tarieven en vereenvoudiging vrijstelling
- Wet ter voorkoming witwassen en financieren van terrorisme (WWFT)
- Vangnet voor onverzekerde zelfstandigen
- Eerstedagsmelding toch afgeschaft per 1 januari 2009
- De vergeten echtgenoot
- Kabinet introduceert premiepensioeninstelling
- Ook niet renderend vermogen aangeven in box 3
- Inspecteur kan restaurantpersoneel niet zo maar hoger inschalen voor toepassing fooienregeling

Publicaties Oktober 2008:

- De WBSO-regeling ter bevordering van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) wordt nog aantrekkelijker voor ondernemers
- Koopsompolis in 2008 nog fiscaal aftrekbaar
- Elektronisch Eurovignet ingevoerd
- Toepassing Autodealerregeling 2007 verlengd tot 1 januari 2009
- KvK schrijft nieuwe inschrijvers aan
- Nieuwe fiscale regeling voor aftrek ziektekosten bekendgemaakt
- Starter met meerdere projecten: geen ondernemer
- Vastgoed: gestegen restwaarde, verplichte herziening afschrijving
- Lager tarief vennootschapsbelasting in 2008
- Onbelast agio uitkeren aan de aandeelhouder
- Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang gewijzigd
- Fiscale ondersteuning pensioenopbouw afgetopt
- Belastingplan 2009: aanpassing btw-vrijstelling medische diensten
- Afschaffing AOW-partnertoeslag vrijwel onbekend
- Geen kostenaftrekbeperking voor licht, gas, water van in privé behorend praktijkruimte

Publicaties September 2008:

- Startende ondernemer heeft veel belastingvoordeel
- Percentage heffingsrente en invorderingsrente vierde kwartaal 2008 omhoog tot 5,45%
- Fiscus behandelt op oneigenlijke wijze te vergoeden heffingsrente
- Opnieuw btw-vragenlijst voor dga's
- Verbouwing pand vóór verkoop: bedrijfsmiddel of voorraad
- Toch gebruikersbelasting mogelijk over pand in aanbouw
- Afschaffing AOW-partnertoeslag vrijwel onbekend
- Opnieuw andere opzet kinderopvangtoeslag
- Bij naheffing bpm over buitenlandskentekenauto moet inspecteur ook wijzen op teruggaafmogelijkheid
- Keuze eigenrisicodragerschap WGA
- Verrekenen maandaangifte omzetbelasting met vierwekenaangifte loonheffingen
- Wijziging uurloonberekening WBSO in 2009
- Per 1 januari 2009 moet aangifte accijns en verbruiksbelasting elektronisch
- Digitaal procederen bij belastingrechter wordt mogelijk

Verwachte gebruiksduur kantoorpand was bepalend voor willekeurige afschrijving

Startende ondernemers kunnen onder omstandigheden gebruikmaken van een bepaalde fiscale faciliteit: de willekeurige afschrijving. Dit betekent dat men met de gebruikelijke afschrijvingstermijn geen rekening hoeft te houden en zowel versneld als vertraagd mag afschrijven. Hiermee is het mogelijk om een liquiditeitsvoordeel en een rentevoordeel te behalen. De faciliteit willekeurige afschrijving heeft betrekking op bepaalde aangewezen bedrijfsmiddelen, namelijk die in het belang zijn van de bevordering van de economische ontwikkeling of de economische structuur. De bevordering van het ondernemerschap behoort ook daartoe. Verder bestaat er nog een regeling voor willekeurige afschrijving voor zeeschepen en voor milieubedrijfsmiddelen.

Een startende ondernemer kan alleen willekeurig afschrijven in het kalenderjaar waarin hij heeft geïnvesteerd in daarvoor kwalificerende bedrijfsmiddelen én recht heeft op de verhoogde zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers. Op die tweede voorwaarde bestaat een uitzondering. Als in het direct voorafgaande kalenderjaar aanschaffings- of voortbrengingskosten voor dergelijke bedrijfsmiddelen zijn gemaakt en nog geen recht op zelfstandigenaftrek bestond, mogen deze bedrijfsmiddelen ook meetellen voor de willekeurige afschrijving in het daaropvolgende kalenderjaar. Het bedrag van willekeurige afschrijving is overigens begrensd tot het maximumbedrag van investeringen waarvoor nog recht bestaat op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (€ 240.000, jaar 2009). Als niet langer aan de voorwaarden voor willekeurige afschrijving wordt voldaan, wordt de afschrijving teruggenomen totdat het bedrijfsmiddel de boekwaarde bereikt die het zou hebben gehad bij normale afschrijving. De terugneemperiode is vijf jaar vanaf het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Rechtbank Arnhem heeft onlangs uitspraak gedaan over de mate waarin een startende makelaar van 52 jaar in 2004 de willekeurige afschrijving mocht toepassen op een in dat jaar aangekocht kantoorpand ten behoeve van zijn onderneming. De inspecteur was van mening dat de makelaar voor een aanzienlijk lager bedrag mocht afschrijven dan de makelaar zelf voor ogen stond.

De rechtbank nam een aantal richtinggevende arresten van de Hoge Raad van 10 augustus 2007 over afschrijving als vertrekpunt. Zo bestaat het afschrijvingspotentieel uit: de kosten van aanschaf van het bedrijfsmiddel vermeerderd met de kosten van daarmee gepaard gaande investeringen in dat bedrijfsmiddel, verminderd met de restwaarde. Daarbij moet de restwaarde naar schatting worden bepaald op de waarde die het bedrijfsmiddel bij de beëindiging van het gebruik door de ondernemer in elk geval waard zal zijn.

Uit de woorden ‘bij de beëindiging van het gebruik’ leidde de rechtbank af dat bij het bepalen van de afschrijvingen moet worden uitgegaan van de periode waarin de ondernemer het bedrijfsmiddel naar verwachting zal gebruiken. Hetzelfde heeft dan ook te gelden bij de willekeurige afschrijving omdat deze regeling de afschrijvingslast alleen naar voren haalt maar niet vergroot.

In de onderhavige procedure moesten dus op het tijdstip van ingebruikneming in 2004 de te verwachten gebruiksduur en de restwaarde aan het einde van die gebruiksduur worden bepaald. De rechtbank was van oordeel dat bij het bepalen van de verwachte gebruiksduur meer waarde moet worden gehecht aan de (kortere) economische levensduur van het bedrijfsmiddel dan aan de technische levensduur. Het is namelijk te verwachten dat na verloop van tijd het bedrijfsmiddel in economische zin niet meer geschikt zal zijn om te voldoen aan de eisen die de bedrijfsvoering stelt. Ook kan de leeftijd van de ondernemer een rol spelen bij het bepalen van de verwachte gebruiksduur. De inspecteur was van mening dat de verwachte gebruiksduur van iemand die op 52-jarige leeftijd een onderneming start op 20 jaar kon worden gesteld. De ma kelaar was in zijn jaarrekening voor de gewone afschrijving uitgegaan van een gebruiksduur van 30 jaar. De rechtbank vond echter geen van beide partijen erin geslaagd de verwachte gebruiksduur aannemelijk te maken en stelde deze daarom naar redelijke schatting op 25 jaar.

De rechtbank stelde vast dat de inspecteur een grotere willekeurige afschrijving in aanmerking had genomen dan de afschrijving die de rechtbank had berekend. De rechtbank verklaarde daarom het beroep van de makelaar toch ongegrond.

Opmerking
Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft in 2008 de bij de Najaarsnota aangekondigde tijdelijke fiscale regeling voor willekeurige afschrijving gepubliceerd. Deze regeling kan niet worden toegepast naast een andere regeling voor willekeurige afschrijving. Dan moet een keuze worden gemaakt.

Bron: Rechtbank Arnhem, nr. 08/1411

[Terug naar overzicht]

Fiscale eenheid voor de Vpb

De fiscale eenheid wordt aangevraagd bij de inspecteur van de moedermaatschappij. De fiscale eenheid kan op elk gewenst moment ingaan, dus ook in de loop van het (boek)jaar. Er is maximaal drie maanden terugwerkende kracht mogelijk vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. Indien men derhalve voor het hele boekjaar als FE wil worden aangemerkt, is het van belang het verzoek FE te hebben ingediend vóór 1 april indien het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
Komt men gaandeweg het jaar tot de conclusie eigenlijk toch geen fiscale eenheid te willen, dan moet men binnen het jaar ontvoegen. Immers, indien men binnen het jaar ontvoegt, wordt de fiscale eenheid (verder FE) nooit geacht te hebben bestaan.

Voor de praktijk zijn derhalve twee momenten van belang:

1 april. Uitgaande van boekjaar is kalenderjaar, dient vóór 1 april het verzoek om FE te zijn ingediend, wanneer men voor het hele jaar een FE wenst;
31 december. Uitgaande van boekjaar is kalenderjaar moet men vóór 31 december voor eventuele in dat jaar aangevraagde (al dan niet reeds geaccepteerde) FE’s, die men achteraf bezien toch niet wenst, een verzoek tot ontvoeging indienen.
Einde fiscale eenheid Vpb

Een fiscale eenheid voor de Vpb kan als volgt eindigen:

indien niet langer aan de eisen wordt voldaan;
verplaatsing van de leiding;
op gezamenlijk verzoek van de moeder en dochter met ingang van het tijdstip dat in het verzoek genoemd is, maar niet eerder dan met ingang van de datum van indiening van het verzoek. Overigens met dien verstande dat wanneer de FE ten aanzien van één of meer dochters wordt beëindigd, de FE daardoor niet eveneens ten aanzien van de andere belastingplichtigen wordt beëindigd. Indien de Moeder breekt met de FE, verbreekt de gehele FE. Wanneer een Dochter of Kleindochter breekt, blijft de rest in stand.
Gevolgen fiscale eenheid Vpb

De fiscale eenheid heeft positieve gevolgen, maar kan ook nadelen hebben.

Positieve gevolgen

onderlinge verliesverrekening;
geruisloze reorganisatie;
eliminatie intercompany winsten;
er kan volstaan worden met één aangifte (of dit met de huidige winstaangiften nog zo’n groot voordeel is???).
Nadelige gevolgen

toepassing sanctiebepaling bij verbreking;
geen liquidatieverlies bij liquidatie dochter binnen FE;
minder investeringsaftrek.
Tariefstructuur

Een ander nadeel kan tegenwoordig ook gevonden worden in de tariefstructuur. Het tarief voor de Vpb voor 2009 bedraagt voor de eerste € 200.000 belastbare winst 20%, over het meerdere 25,5%. Dit betekent bijvoorbeeld dat als alle vennootschappen winst draaien en er een hogere winst verwacht wordt dan € 200.000, de fiscale eenheid vanuit tariefsoogpunt nadelig is. Immers, het is vanuit tariefsoogpunt dan aantrekkelijker om meerdere belastingplichtigen te hebben, die zelfstandig aangifte doen.

[Terug naar overzicht]

Wetsvoorstel invoeringswet personenvennootschappen gewijzigd

Staatssecretaris Albayrak van Justitie heeft het wetsvoorstel Invoeringswet personenvennootschappen op enkele onderdelen gewijzigd met een vierde nota van wijziging.
De invoeringswet wijzigt op enkele onderdelen de Wet personenvennootschappen en regelt eveneens het invoeringtijdstip.

Er blijkt onzekerheid te bestaan over de vraag of en in hoeverre een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (ovr) voor de Wet belastingen van rechtsverkeer (overdrachtsbelasting) een rechtspersoon is. Onder rechtspersoon wordt nu ook begrepen: de ovr en de vennootschap die naar het recht van een andere Staat is opgericht of ontstaan en naar aard en inrichting daarmee vergelijkbaar is. Het gevolg daarvan is dat in alle artikelen Wet belastingen van rechtsverkeer waarin de term rechtspersoon of rechtspersonen wordt genoemd, daaronder ook de ovr wordt begrepen. Daar waar in laatstgenoemde wet onder de term rechtspersonen niet gedoeld wordt op de ovr, wordt dat uitdrukkelijk aangegeven.

Verder wordt de toepassing van de ‘overgangsmaatregel’ uitgebreid met vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid die een onderneming drijven en die zich omzetten in een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (ovr). Dit is gedaan om de invoering van deze nieuwe rechtsvorm zo weinig mogelijk fiscaal te belemmeren. Een dergelijke omzetting kan binnen één jaar na de inwerkingtreding van de Invoeringswet plaatsvinden, zonder dat het vereiste van toepassing is dat de inbrenger gedurende drie jaren na de omzetting in het bezit moet blijven van de totale bij of in verband met die omzetting verkregen economische deelgerechtigdheid. Het voorgaande geldt niet voor situaties waarbij moet rekening worden gehouden met een nog lopende driejaarstermijn voor de vrijgestelde inbreng van een materiële onderneming (met daarin onroerende zaken) in een personenvennootschap. Alle overige voorwaarden die gelden bij de omzetting in een ovr blijven onverkort gelden. De om te zetten vennootschap moet bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet.

In de nota naar aanleiding van het nader verslag geeft ze aan dat de nieuwe streefdatum voor de invoering van de wet 1 juli 2009 is geworden.

Bron: Tweede Kamer, 3-2-2009, 31065 nrs. 15 en 16

[Terug naar overzicht]

Lijfrentecontract aanpassen?

Vanaf 2009 zijn alle termijnen uit een box 1-lijfrente volledig belast, ook als niet alle premies zijn afgetrokken. Slechts een beperkte saldomethode is nog van toepassing.

Het komt regelmatig voor dat er een hogere premie in een box 1-lijfrentecontract wordt betaald dan het maximaal toegestane bedrag dat voor de inkomstenbelasting aftrekbaar is (jaarruimte en reserveringsruimte). Tot en met 2008 kon de waarde van de polis dan gesplitst worden in een deel dat belast werd in box 1 (waarvoor de premies daadwerkelijk waren afgetrokken) en een deel dat belast werd in box 3, corresponderend met het niet in aanmerking genomen deel van de premies.

Vanaf 2009 is splitsing niet meer mogelijk. Alle uitkeringen zijn in beginsel belast in box 1, ongeacht de fiscale status van de premies. Er is één uitzondering: voor zover de niet afgetrokken premies een bedrag van € 2.269 per jaar niet overschrijden blijft de uitkering onbelast. In zoverre is dus de saldomethode van toepassing. Als overgangsmaatregel is tevens bepaald dat hetzelfde geldt voor premies die vóór 2009 zijn betaald en niet in aftrek gebracht. Hierbij geldt geen maximum. Deze regeling geldt onverkort ook voor bancaire lijfrenten ('banksparen').

Geadviseerd wordt om de premies op de box 1-lijfrente in overeenstemming te brengen met deze regeling. Betaal niet meer premie dan er aan jaarruimte pus reserveringsruimte in een bepaald jaar beschikbaar is, plus € 2.269. Een uitkering die belast is in box 1 zonder dat de daarmee corresponderende premie in aanmerking is gekomen voor aftrek is natuurlijk bijzonder ongunstig voor het rendement van de verzekering.

Het blijft uiteraard wel mogelijk om box 3-lijfrentecontracten af te sluiten. De waarde hiervan wordt in box 3 belast. De premie is niet aftrekbaar en de uitkering niet belast in box 1. Een box 3-contract bereik je door zodanige bepalingen in het contract op te nemen dat het niet kwalificeert voor box 1.

[Terug naar overzicht]

Voortaan elektronisch factureren

De staatssecretaris van Financiën heeft besloten dat (elektronische) facturen voortaan vormvrij zijn. Ondernemers kunnen daardoor bijvoorbeeld ook facturen versturen als PDF-document.

U kunt zelf beslissen om uw elektronische factuur te beveiligen. Zo kunt u (bijvoorbeeld) een PDF-document beveiligen met een wachtwoord. Zo'n document kan zonder wachtwoord (door de ontvanger) wel worden gelezen en afgedrukt, maar niet veranderd. Als u het naar uw afnemer verstuurt, weet u zeker dat de inhoud van het bericht niet tijdens de verzending over het internet is veranderd.

Op het internet vindt u verschillende tooltjes waarmee u uit een teksverwerkings- of boekhoudpakket direct een beveiligde PDF kunt maken. Meestal installeren deze tooltjes zich als "printer" op uw systeem. Door met deze "printer" een afdruk te maken, wordt de factuur als beveiligd PDF-document op uw harde schijf opgeslagen. Google bijvoorbeeld op "free pdf writer" voor een aantal gratis tooltjes om PDF's te maken. Kies bij voorkeur een versie die beveiliging van PDF's ondersteunt. Het beveiligde document kunnen u en uw afnemer elektronisch in de administratie bewaren. U kunt ook gebruik maken van een zogenoemde service provider die u helpt bij het opstellen en verzenden van uw facturen.

Naast het versturen door middel van een eenvoudig PDF-document zijn er ook oplossingen op de markt waarmee de ontvanger van een factuur de factuurgegevens rechtstreeks elektronisch uit het factuurbericht in zijn administratie kan inlezen. Daarvoor kunt u gebruik maken van standaarden, zoals UBL. U hoeft de informatie van de factuur dan niet meer over te typen. Door gebruik te maken van dit soort mogelijkheden kunt u bij het verzenden van uw facturen een maximale administratievelastenverlichting bereiken, voor uzelf maar ook voor uw afnemers.

De overige factuurvereisten wijzigen niet: op het elektronische factuurbericht moet u als ondernemer alle informatie vermelden die ook op een papieren factuur moet staan. Het gaat puur om de wijze waarop partijen de facturen of factuurgegevens uitwisselen.

[Terug naar overzicht]

Weer vragen over BUA voorgelegd aan Europees Hof van Justitie

Op 19 januari 2009 heeft Hof Amsterdam aan het Europese Hof van Justitie (HvJ EG) gevraagd of de volgende vier categorieën van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) voldoen aan het criterium van "voldoende bepaald" en dus mogen worden gehandhaafd op grond van artikel 17(6) van de Zesde richtlijn:
het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel van de ondernemer;
het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie de btw in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen, indien aan hen voor deze geschenken of giften omzetbelasting in rekening zou zijn gebracht;
het verlenen van huisvesting aan het personeel van de ondernemer;
het geven van gelegenheid tot ontspanning aan het personeel van de onderneming.
Daarmee zijn de volgende, vet gedrukte, delen van het BUA op houdbaarheid voorgelegd aan het HvJ EG of door de Hoge Raad als "niet voldoende bepaald en te ruim" gekwalificeerd (vet, cursief en onderstreept):

Artikel 1(1) BUA
“De in artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 bedoelde aftrek wordt uitgesloten in de gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor:
a. het voeren van een zekere staat;
b. het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen;
c. het aan het personeel van de ondernemer verstrekken van spijzen en dranken (nu uitgezonderd in lid 3), verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura, geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privé-vervoer, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel.”

Slechts correcties op grond van het feit dat sprake is van "het voeren van een zekere staat" en "het gelegenheid geven tot sport" zijn daarmee nog niet aan het HvJ EG voorgelegd, of door de Hoge Raad onverbindend geacht omdat ze "onvoldoende bepaald" zijn. Daarbij komt dat deze categorieën, voor zover de eerste trouwens nog wordt toegepast, indirect ter discussie staan omdat de Hoge Raad het HvJ EG heeft gevraagd of het BUA wel mag uitsluiten "voor zover" goederen en diensten voor bepaalde doelen worden gebezigd.

Verder vraagt Hof Amsterdam het HvJ EG te beoordelen of de Europese regelgeving ruimte biedt voor de systematiek van het Nederlandse BUA. In die systematiek wordt aftrek toegestaan voor zover voor de in het BUA genoemde prestaties een vergoeding met omzetbelasting in rekening wordt gebracht, en wel tot het bedrag van de belasting die voor die prestatie is verschuldigd.

Indien de categorie "verstrekken van spijzen en dranken" voldoende bepaald is, vraagt Hof Amsterdam bovendien of deze uitsluiting op grond van Europese regelgeving zodanig mag worden gewijzigd dat de draagwijdte van die uitsluiting waarschijnlijk wordt beperkt, maar ook niet kan worden uitgesloten dat in een individueel geval in enig jaar de werkingssfeer van de aftrekbeperking wordt uitgebreid, met name door het forfaitaire karakter van de gewijzigde regeling.

Bron: Hof Amsterdam,19-1-2009, nr. 07/00782 en 07/00783.

[Terug naar overzicht]

Onderwijspersoneel kan soms toch vrijgesteld van btw worden uitgeleend

Het komt vaak voor dat onderwijsinstellingen docenten aan elkaar uitlenen, bijvoorbeeld om een tijdelijk afwezige docent te vervangen. De docent is dan in dienst bij de ene onderwijsinstelling en wordt tijdelijk of voor een langere periode uitgeleend aan een andere onderwijsinstelling om daar les te geven. Op basis van de Nederlandse wet was altijd het uitgangspunt dat de uitlenende onderwijsinstelling 19% btw was verschuldigd over de vergoeding die zij ontving van de inlener, bijvoorbeeld de brutoloonkosten van de docent. Nu is duidelijk geworden dat onder voorwaarden toch een btw-vrijstelling van toepassing kan zijn.

Het Horizon College deed een beroep op de Europese btw-richtlijn waarin staat dat diensten die nauw samenhangen met onderwijs, ook kunnen delen in de btw-vrijstelling voor onderwijs. Het Europese Hof van Justitie stelde het Horizon College in het gelijk en besliste in 2007 dat het uitlenen van onderwijspersoneel tussen onderwijsintellingen onder voorwaarden btw-vrijgesteld kan plaatsvinden.

Zowel de inlener als de uitlener moet een onderwijsinstelling zijn en de inlener moet voor het door haar verstrekte onderwijs een beroep doen op de btw-vrijstelling voor onderwijs. Van belang is verder dat de btw-vrijstelling alleen van toepassing kan zijn als het uitlenen niet in hoofdzaak erop is gericht dat de uitlenende onderwijsinstelling extra opbrengsten verkrijgt en het uitlenen 'onontbeerlijk' is voor de kwaliteit van het btw-vrijgestelde onderwijs van de inlenende onderwijsinstelling.

Deze voorwaarden zijn op verschillende manieren uit te leggen. De Nederlandse Hoge Raad had daarom Hof Den Haag opdracht gegeven om te onderzoeken of het uitlenen van docenten door het Horizon College voldeed aan de voorwaarden van het Europese Hof van Justitie. Inmiddels is per 1 juli 2008 ook in de Nederlandse wet opgenomen dat diensten die nauw samenhangen met onderwijs kunnen worden vrijgesteld. Afwachten was nog hoe strikt Hof Den Haag de voorwaarden zou uitleggen.

Hof Den Haag oordeelde onlangs dat het uitlenen van docenten door het Horizon College - in ieder geval in een aantal gevallen - voldeed aan de gestelde voorwaarden. Deze uitspraak kan goed van pas komen, zeker nu enkele ministeriële goedkeuringen om btw-heffing in bepaalde gevallen te voorkomen, onder vuur liggen van de Europese Commissie.

De beslissing van Hof Den Haag biedt dan ook perspectief voor uw organisatie als u gebruikmaakt van docenten van andere onderwijsinstellingen, omdat u als inlener wellicht 19% op de kosten van de ingeleende docenten kunt besparen, of als u zelf uw docenten uitleent.

Bron: Hof Den Haag, 15-1-2009, nr. 08/00212

[Terug naar overzicht]

Geen btw-aftrek op goederen en diensten gebruikt voor niet-economische activiteiten

Het Europese Hof van Justitie heeft op 12 februari 2009 een arrest gewezen over de aftrekbaarheid van btw op kosten die door een bedrijf worden gemaakt voor zowel economische (met btw belastbare) activiteiten als voor niet-economische (buiten de werkingssfeer van de btw vallende) activiteiten. Uit het arrest volgt dat deze btw slechts aftrekbaar is voor zover de kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteiten.

Achtergrond
De Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (VNLTO) bevordert de belangen van haar leden, ondernemers uit de agrarische sector. Hiervoor betalen de leden een contributie. Deze activiteiten op het gebied van belangenbehartiging zijn geen economische activiteiten voor de btw. Naast de belangenbehartiging verricht VNLTO een aantal individuele diensten tegen vergoeding aan haar leden en aan derden. Dit zijn wel economische activiteiten voor de btw.

VNLTO maakt zowel kosten voor haar niet-economische activiteiten en haar economische activiteiten als kosten die niet rechtstreeks aan specifieke activiteiten kunnen worden toegerekend. VNLTO heeft een verzoek tot terugbetaling van de btw op een groot deel van deze kosten ingediend. De belastingdienst stond geen volledige aftrek van voorbelasting toe op kosten die (mede) toerekenbaar waren aan de niet-economische activiteiten. Partijen eindigden voor de rechter.

Onzeker over de vraag hoe de regels met betrekking tot aftrek van btw op deze kosten moesten worden uitgelegd, stelde de Hoge Raad een aantal vragen aan het Europese Hof van Justitie (HvJ EG). Daarbij ging de Hoge Raad er - conform de bestaande Nederlandse praktijk op dit gebied - van uit dat de btw op de kosten van investeringsgoederen die gedeeltelijk voor niet-economische activiteiten werden aangewend, volledig en onmiddellijk mag worden afgetrokken en dat deze aftrek via heffing over de zogenaamde “fictieve prestaties” wordt gecorrigeerd. De Hoge Raad vroeg het HvJ EG onder meer of deze handelwijze ook kan worden toegepast op niet-investeringsgoederen en op diensten.

Arrest van het HvJ EG
Het HvJ EG gaf de Hoge Raad niet het antwoord dat de Hoge Raad verwachtte. Het HvJ EG stelde namelijk dat de vooronderstelling waarop de Hoge Raad zijn vragen baseerde, niet juist was. Het HvJ EG legde uit dat btw alleen mag worden afgetrokken voor zover deze btw drukt op kosten die in een later stadium kunnen worden toegerekend aan de economische activiteiten van de VNLTO. “Fictieve prestaties” kwalificeren daarbij ook als economische activiteiten.

Er bestaan in feite drie categorieën fictieve prestaties die in dit geval relevant kunnen zijn: privégebruik door de ondernemer zelf, privégebruik door het personeel van de ondernemer of, meer in het algemeen, gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden.

De Hoge Raad ging er bij het stellen van zijn vraag vanuit dat het gebruik voor niet-economische activiteiten valt onder die laatste categorie “gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden”. Het HvJ EG deelde de mening van de Hoge Raad niet dat dit als algemene regel moet worden gezien. Volgens het HvJ EG moet deze categorie fictieve prestaties zo worden uitgelegd dat de niet-economische ondernemingsactiviteiten van een ondernemer daar niet onder vallen.

Zoals gezegd bepaalde het HvJ EG dat, voor zover sprake is van kosten die zien op zowel de economische als de niet-economische ondernemingsactiviteiten, de btw op deze kosten slechts aftrekbaar is voor zover zij kunnen worden toegerekend aan de economische activiteiten van de ondernemer. Indien deze toerekening niet mogelijk is, wordt aftrek dus uitgesloten.

Belang voor de praktijk
In deze zaak gaat het, net als in het Securenta-arrest van het HvJ EG van 13 maart 2008 om een ondernemer wiens hoofdactiviteiten vanuit een btw-perspectief in twee categorieën kunnen worden onderverdeeld: economische en niet-economische activiteiten. Binnen het bedrijf bestaan in feite twee “sferen” en als kosten niet specifiek kunnen worden toegerekend aan een van deze sferen, zal een verdeling moeten worden gemaakt.

In veel gevallen is sprake van bedrijven die zich volledig toeleggen op het verrichten van economische prestaties waarbij daarnaast sprake kan zijn van niet-belastbare handelingen, zoals het verkopen van alle activa en passiva van e en dochteronderneming, het uitgeven van aandelen om financiële middelen te verkrijgen om de belastbare bedrijfsuitoefening te financieren of handelingen die zijn gesubsidieerd met een onbelaste subsidie. Deze niet-belaste activiteiten zullen naar onze mening in de regel worden verricht ten behoeve van de economische activiteiten. Deze toerekening aan de economische activiteiten dient uiteraard door de onderneming dan wel haar belastingadviseur te worden onderbouwd. In dergelijke gevallen zijn de kosten die hiervoor worden gemaakt, aan te merken als algemene kosten en als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten van deze onderneming. De voorbelasting kan dan in beginsel op basis van de pro-rata van de algehele bedrijfsactiviteit in aftrek worden gebracht.

Bron: HvJ EG, 12-2-2009, nr. C-515/07 (VNLTO).

[Terug naar overzicht]

Pensioen; individuele waardeoverdracht en werknemersverklaring

Werknemers die overstappen van werkgever, hebben in principe een wettelijk recht op waardeoverdracht van pensioenaanspraken. De Nederlandsche Bank heeft onlangs kenbaar gemaakt dat een pensioenfonds met een dekkingsgraad lager dan 100% niet mag meewerken aan individuele waardeoverdrachten. Dat geldt ook voor lopende procedures. Zeker in deze grote tijden van onzekerheid zal de werknemer duidelijke communicatie bij in- of uitdiensttreding zeer waarderen. De dekkingsgraad van een behoorlijk aantal pensioenfondsen ligt momenteel al onder de 100%.

De Belastingdienst keurt goed dat een werknemer over perioden van geheel of gedeeltelijk onbetaald verlof pensioen kan opbouwen. Dit geldt echter uitsluitend indien de werknemer niet tegelijkertijd elders pensioen opbouwt. Kortom, er mag geen dubbele pensioenopbouw plaatsvinden.

Iemand, die van werkgever verandert, heeft de mogelijkheid om bij de oorspronkelijke werkgever opgebouwde pensioenaanspraken over te laten dragen naar het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Pensioenfondsen zijn in principe wettelijk verplicht om hieraan mee te werken. Dit hoeft echter niet, als de verplichtingen van het pensioenfonds niet meer volledig worden gedekt.
De Nederlandsche bank (DNB) kan een verbod op waardeoverdrachten opleggen met het oog op de financiële situatie van pensioenfondsen. DNB heeft inmiddels de pensioenfondsen erop geattendeerd dat op het moment dat de dekkingsgraad van een pensioenfonds 100% of minder bedraagt, het fonds niet meer aan waardeoverdrachten mag meewerken. Wanneer bekend is dat de dekkingsgraad 100% of minder is, zullen alle individuele waardeoverdrachten moeten worden gestaakt. Dit geldt dus ook voor de lopende procedures.
Ten aanzien van collectieve waardeoverdrachten geldt dat DNB alleen onder bijzondere omstandigheden toestemming zal verlenen voor waardeoverdracht als sprake is van een dekkingstekort.

Over perioden van verlof, zoals ouderschapsverlof, sabbatsverlof, studieverlof en levensloopverlof, mag fiscaal gezien pensioen worden opgebouwd. Indien het loon in die periode echter nihil of aanzienlijk lager dan gebruikelijk is, dan is pensioen opbouw in principe niet (geheel) mogelijk.
De Belastingdienst heeft enige tijd terug goedgekeurd dat volledige pensioenopbouw wel mogelijk blijft voorzover geen samenloop plaatsvindt met pensioenopbouw bij een nieuwe werkgever, de vorming van een oudedagsreserve of deelname aan een beroepspensioenregeling. De werkgever zal dus na moeten gaan of hiervan sprake is. Wanneer u als werkgever 'in control' wilt zijn, dan zult u via een verklaring van de werknemer hiervan op de hoogte moeten blijven.

[Terug naar overzicht]

(Startende) Ondernemers krijgen makkelijker lening

Mensen die een eigen onderneming willen starten kunnen makkelijker geld lenen bij banken. Het Rijk start twee proeven waarvoor een bedrag van € 27 miljoen beschikbaar is voor garantstellingen of leningen.

Startende ondernemers ook in tijden van crisis hard nodig

Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken willen startende ondernemers in Nederland hiermee een steun in de rug geven. Ondernemers zijn ook in tijden van economische crisis hard nodig.

Van beginnende ondernemers kunnen banken vaak niet goed vaststellen wat de risico’s zijn, zelfs bij relatief kleine bedragen, waardoor zij problemen kunnen hebben bij het verkrijgen van een krediet. Een garantiestelling kan dan helpen.

Microkredieten

De proef van het Ministerie van Economische Zaken betreft de oprichting van een fonds voor kredietverlening aan beginnende ondernemers. Voor deze proef is € 15 miljoen beschikbaar. Het fonds wordt beheerd door Qredits. Qredits is een landelijke samenwerking van banken (ABN AMRO, Fortis, ING en de Rabobank) en het ministerie van Economische zaken.

Mensen die een goed bedrijfsplan hebben, maar geen lening kunnen krijgen bij een bank kunnen sinds medio januari 2009 via dit fonds maximaal € 35.000 lenen.

SZW-proef borgstellingsregeling wordt uitgebreid naar 5 gemeenten

De sinds 1 juli 2007 onder verantwoordelijkheid van SZW lopende proef met een borgstellingsregeling voor starters vanuit een uitkeringssituatie is uitgebreid van 3 naar 5 gemeenten. Ook kunnen mensen die geen uitkering hebben nu een beroep doen op deze regeling; voor deze groep is € 6 miljoen per jaar beschikbaar (voor garanties) voor kredieten Ook is er 6 miljoen beschikbaar voor mensen die nu een uitkering hebben.

Startende ondernemers kunnen van de (krediet)bank maximaal een krediet ter hoogte van € 35.000 onder garantstelling van het Rijk krijgen. De proef heeft de afgelopen tijd al laten zien dat het concept met succes wordt toegepast voor bijvoorbeeld startende opticiens en beauty- en kap salons in de deelnemende gemeenten. In 2008 heeft het Rijk in ca. 110 gevallen borg gestaan voor een krediet. Deelnemende banken zijn ABN-AMRO, Rabobank en Fortis.

Naast het verstrekken van krediet, geldt voor beide proeven dat ondernemers ook coaching en advies krijgen.

Proef moet zich in twee jaar bewijzen

Beide proefprojecten lopen tot 1 januari 2011. Hierna besluiten de bewindslieden of de ervaringen resulteren in een landelijke regeling.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 25 februari 2009

[Terug naar overzicht]

Nieuwe wet premiekorting oudere werknemers

Per 1 januari 2009 is er een nieuwe wet van kracht die het voor werkgevers interessant maakt om uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder in dienst te nemen. En om werknemers van 62 jaar of ouder in dienst te houden. Werkgevers kunnen namelijk een hogere korting dan voorheen krijgen op WW-en arbeidsongeschiktheidspremies. Met de nieuwe wet wil het kabinet de arbeidsparticipatie van deze doelgroepen bevorderen.

Wat zijn de veranderingen?
De wet premiekorting oudere werknemers vervangt de bestaande premievrijstellingsregeling van gemiddeld 1.500 euro per jaar. Deze regeling gold voor het aannemen van een werknemer van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van een werknemer van 54,5 jaar of ouder. Een werkgever die al een premievrijstelling ontvangt voor werknemer(s) van 54,5 jaar of ouder, behoudt deze. De nieuwe premiekortingsregeling maakt het voor werkgevers interessanter dan voorheen om te investeren in ervaren werknemers. De eerste wijziging is dat werkgevers per aangenomen uitkeringsgerechtigde van 50 jaar of ouder een premiekorting ontvangen van 6.500 euro per jaar, voor de periode van drie jaar. Tweede wijziging is dat werkgevers een premiekorting krijgen van 2.750 euro per jaar per werknemer van 62 jaar of ouder die in dienst wordt gehouden. Vanaf 2013 is dit 6.500 euro.

Waarom deze nieuwe wet?
Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van 50-plussers stimuleren Veel oudere werkzoekenden staan nog langs de zijlijn. Hun expertise en ervaring blijven daardoor onbenut. Medewerkers van boven de vijftig jaar onderscheiden zich door jarenlange ervaring en een uitgebreid netwerk. Ze zijn loyaal, hebben een goede werkmentaliteit, een groot inschattingsvermogen en zijn gemotiveerd. Allemaal kwaliteiten waar werkgever en collega's hun voordeel mee kunnen doen. Het kabinet beseft dat het voor werkgevers essentieel is dat medewerkers goed inzetbaar blijven. Met de nieuwe wet wil het kabinet meer oudere werknemers, ook wel werkervarenen genoemd, aan de slag helpen en houden.
De vorige premievrijstelling kwam onvoldoende ten goede aan werkgevers van werknemers die deze steun echt nodig hebben om aan het werk te komen en blijven. Zo ging het meeste geld naar het in dienst houden van oudere werknemers die ook zonder ondersteuning zouden blijven werken. Om die reden is de ondersteuning in de nieuwe regeling van tijdelijke aard (maximaal drie jaar). De tegemoetkoming per jaar is daarentegen nu veel hoger dan voorheen. Bovendien richt de nieuwe wet zich op het in dienst nemen van oudere werknemers in een uitkering; een groep die moeilijk aan de slag komt.

Bron: Ministerie van SZW, 24 april 2009

[Terug naar overzicht]

Rittenregistratie voor bestelauto vereenvoudigd

Als een werkgever een bestelauto van de zaak ter beschikking stelt aan een werknemer, dient in principe de fiscale bijtelling voor privégebruik te worden toegepast. De werkgever mag de bijtelling achterwege laten als de werknemer kan aantonen dat de bestelauto niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden wordt gebruikt. Dit bewijs kan worden geleverd door een sluitende rittenadministratie, een verklaring geen privégebruik van de belastingdienst of een schriftelijk vastgelegd en door de werkgever gecontroleerd verbod op privégebruik.

Voor een sluitende rittenregistratie moet de werknemer van iedere gemaakte rit (zowel zakelijk als privé) het begin- en eindadres, de reisafstand en het karakter van de rit (zakelijk of privé) in de rittenadministratie opnemen. Omdat dit voor werknemers die door de aard van hun werkzaamheden verschillende ritten per dag maken een grote administratieve last kan zijn, is in een akkoord tussen de belastingdienst en de (belangen)organisaties EVO, VNO-NCW, Uneto-Vni, Bouwend Nederland en Fosag besloten tot een vereenvoudigde rittenregistratie mits wordt voldaan aan de voorwaarden.

De voorwaarden voor de versimpelde rittenregistratie zijn als volgt:

De bestuurder van de bestelauto noteert per dag zowel de kilometerstand aan het begin als aan het einde van de dag.
De werknemer noteert de werktijden.
De zakelijke adressen staan in de (project)administratie van de werkgever.
Uit de (project)administratie van de werkgever moet de volgorde van de bezochte adressen blijken. Wanneer dit niet het geval is, moet de bestuurder van de bestelauto de volgorde van bezochte adressen bijhouden in zijn rittenregistratie.
De werkgever heeft schriftelijke afspraken gemaakt met de werknemer.
De schriftelijke afspraak tussen de werkgever en de werknemer moet in ieder geval het volgende omvatten:

Informatie over de ter beschikking gestelde auto;
Een verbod op privégebruik tijdens werk- en lunchtijd;
De bevestiging dat werkgever en werknemer voldoen aan de voorwaarden voor een versimpelde rittenregistratie.
De belastingdienst heeft een modelovereenkomst voor de afspraken tussen werkgever en werknemer gepubliceerd.

Hoewel dit akkoord de indruk wekt dat de administratieve lasten worden verlicht, kan het in de praktijk leiden tot een verschuiving van de lastendruk van de werknemer naar de werkgever. De werkgever is namelijk verplicht om alle per dag bezochte zakelijke adressen door de werknemer in de (project)administratie op te nemen.

Bron: belastingdienst

[Terug naar overzicht]

Vastgoedexploitant had vrijheid om pand als bedrijfsmiddel aan te merken

Tussen een bedrijfsmiddel en een voorraad bestaan twee fiscaal belangrijke verschillen. Op een bedrijfsmiddel kan worden afgeschreven en op een voorraad niet. Verder kan de boekwinst van een verkocht bedrijfsmiddel binnen daarvoor geldende voorwaarden in een herinvesteringsreserve worden opgenomen maar een boekwinst op een voorraad niet.

Hof Amsterdam heeft na verwijzing van de Hoge Raad uitspraak gedaan over de vraag of een bepaald beleggingspand kwalificeerde als bedrijfsmiddel of niet. De betreffende vastgoedexploitant stelde dat met het arrest van de Hoge Raad vaststond dat het pand van meet af aan een bedrijfsmiddel was. De inspecteur was een andere mening toegedaan. Hij stelde dat deze vraag in de verwijzingsprodecure nog moest worden beantwoord.

Hof Amsterdam was het op dit punt met de inspecteur eens. Het hof stelde voorop dat de vraag of een aangekochte zaak kwalificeert als bedrijfsmiddel, in het algemeen onafhankelijk van de opvatting van de ondernemer, aan de hand van de functie en plaats van die zaak in de onderneming is te beantwoorden. Het hof wees vervolgens op een arrest van de Hoge Raad uit 1959. Daarin had de Hoge Raad aangegeven dat er grensgevallen zijn, waarin de plaats en functie in de onderneming niet noodzakelijkerwijs de oplossing brengen en dat in zo’n geval de opvatting en daarmee overeenstemmende behandeling van de ondernemer de doorslag geven.

Op basis van de feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure was het hof van oordeel dat nu sprake was van zo’n grensgeval. Nu de vastgoedexploitant van meet af aan zich op het standpunt had gesteld dat het pand een bedrijfsmiddel was en dat in de boekhouding ook als zodanig had verwerkt, zag het hof hierin aanleiding om deze kwalificatie te volgen. De vastgoedexploitant kon daardoor de boekwinst bij verkoop van het pand uiteindelijk toch in een herinvesteringsreserve opnemen.

Bron: Hof Amsterdam, 4-2-2009, nr. 08/00640 (gepubliceerd 3-3-2009).

[Terug naar overzicht]

Wetsvoorstel digitaal procederen bij bestuursrechter ingediend

Ministers Hirsch Ballin van Justitie en Ter Horst van Binnenlandse Zaken hebben onlangs het reeds aangekondigde wetsvoorstel Wet elektronisch verkeer met de bestuursrechter naar de Tweede Kamer gezonden. Dit wetsvoorstel gaat de wettelijke basis geven voor het digitaal procederen bij de bestuursrechter (waaronder de belastingrechter). Burgers en bedrijven hoeven daardoor hun procesvoering niet langer uitsluitend via papier te laten verlopen. Ook regelt het wetsvoorstel de mogelijkheid om een rechtszitting te houden door middel van een videoconferentie (bijvoorbeeld via videocamera of webcam). Hetzelfde geldt voor het ‘telehoren’ van een procespartij of getuigen of deskundigen door een bestuursrechter.

Het wetsvoorstel bevat onder meer een kader voor regels voor de beveiliging (omtrent de authenticiteit van de afzender, dat het processtuk onderweg niet onbevoegd is gewijzigd en dat het document door de geadresseerde daadwerkelijk is ontvangen) en technische kwaliteitseisen waaraan de elektronisch te verzenden documenten moeten voldoen, en ook over het horen van partijen op afstand.

Digitaal procederen heeft een aantal voordelen. De beschikbaarheid van digitale gedingstukken bevordert een efficiënter verloop van de beroepsprocedure en draagt daarmee bij aan de verkorting van de doorlooptijden. Elektronisch verzonden stukken kunnen eenvoudig worden bewaard en later weer worden geraadpleegd bij de behandeling van nieuwe beroepszaken. Verder bevordert de mogelijkheid tot het digitaal verzenden van een beroepschrift de toegankelijkheid van de bestuursrechtspraak, omdat het gebruik van elektronische communicatiemiddelen steeds populairder wordt.

Momenteel verlopen binnen verschillende gerechten (o.a. bij de rechtbanken Rotterdam, Dordrecht en Breda) al diverse pilots met het digitaal procederen. Het wetsvoorstel treedt in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip.

Opmerking
De Raad voor de Rechtspraak heeft een kritische kanttekening geplaatst bij de bepaling in het wetsvoorstel over de videoconferentie. De regering wil de nadere regels hiervoor in een beleidsregel vastleggen. De Raad stelt echter dat dit zou moeten gebeuren in de wet, omdat de definitie van videoconferentie niet valt onder de omschrijving van 'elektronisch berichtenverkeer'.

Bron: Tweede Kamer, 14-2-2009, 31867 nrs. 1-4 (gepubliceerd 3-3-2009)

[Terug naar overzicht]

Pensioenaanspraak wordt ook bij gedeeltelijke overdracht aan bv volledig belast

Indien u via uw werkgever pensioen opbouwt, wordt deze opgebouwde aanspraak niet als loon beschouwd, maar betaalt u pas belasting over het pensioen dat later wordt uitgekeerd. Dit is de zogenoemde omkeerregel. Om deze regel toe te passen, moet de pensioenaanspraak berusten op een pensioenregeling die voldoet aan de voorwaarden in de wet. Onder een pensioenregeling wordt – kort gezegd – verstaan een regeling:

die als doel heeft een inkomensvoorziening te treffen voor de (gewezen) werknemer of diens nabestaanden, of bij arbeidsongeschiktheid; en
waarin is bepaald dat de aanspraken niet kunnen worden afgekocht, vervreemd of prijsgegeven, of voorwerp van zekerheid kunnen worden; en
waarvan als verzekeraar optreedt een zogenoemde toegelaten verzekeraar, dat wil zeggen een lichaam of natuurlijk persoon, zoals omschreven in de wet.
Indien wordt voldaan aan deze voorwaarden kan de omkeerregel worden toegepast. Dit geldt echter alleen “voor zover die regeling blijft binnen de [… vastgestelde begrenzingen” en daarmee een zuivere pensioenregeling is.
In een procedure die tot de Hoge Raad is gevoerd, moest die laatste toevoeging in de wet worden uitgelegd. Dit was namelijk relevant voor de vraag of de gedeeltelijke overdracht van een pensioenverplichting kon leiden tot het belasten van de totale pensioenaanspraak.

In de onderhavige zaak ging het om een pensioentoezegging van een bv aan een vrouw. De echtgenoot van de vrouw was de enig aandeelhouder van de bv. De pensioentoezegging was tot 1 december 2002 volledig verzekerd bij een toegelaten verzekeraar. Per die datum bedroeg de waarde van de pensioenaanspraak € 120.076. In 2002 is een bedrag van € 36.020 (de waarde van de pensioenaanspraak tot 1 januari 1995) aan de bv overgedragen met de bedoeling dat de bv dit deel van het pensioen in eigen beheer zou gaan uitvoeren. De inspecteur rekende vervolgens de gehele pensioenaanspraak tot het loon bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting van de vrouw over 2002. Die was het daar niet mee eens en ging in beroep bij Rechtbank Arnhem.

Bij de overgang van (een deel van) een pensioenaanspraak naar een niet-toegelaten verzekeraar – zoals in deze procedure het geval was – is de hoofdregel dat de aanspraak dan wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, waarover belasting is verschuldigd. Voor de rechtbank was ten eerste in geschil of in dit geval een overgangsregeling van toepassing was, waardoor de (gedeeltelijke) overdracht van de pensioenverplichting niet zou kunnen worden belast. Deze overgangsregeling houdt – kort gezegd – in dat voor pensioenaanspraken die op 31 december 1994 bestonden, het vereiste van toegelaten verzekeraar niet van toepassing is. De vrouw was van mening dat zij op grond van de letterlijke tekst van de wet in aanmerking kwam voor de overgangsregeling.

De rechtbank was het hier niet mee eens en beriep zich daarbij op de strekking van de wet, die bleek uit de wetsgeschiedenis. Daarin was opgemerkt dat de hiervoor genoemde hoofdregel onverkort van toepassing is, als zich een oneigenlijke handeling – zoals de overgang naar een niet-toegelaten verzekeraar – voordoet. De rechtbank kon zich beroepen op de strekking van deze wetsbepaling, aangezien de Hoge Raad al in 2005 had geoordeeld dat de strekking van die bepaling prevaleert boven haar letterlijke betekenis. De rechtbank concludeerde dat de overgangsregeling niet van toepassing was.

Vervolgens moest de rechtbank nog een oordeel geven over de tweede stelling van de vrouw, namelijk dat – als de overgangsregeling niet van toepassing was – dan slechts het overgedragen deel van de pensioenaanspraak kon worden belast. Volgens de vrouw is sprake van een zuivere pensioenregeling, “voor zover” aan alle hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan, inclusief de eis van de toegelaten verzekeraar. Dit houdt volgens haar in dat de sanctie bij de overgang van een pensioenaanspraak naar een niet-toegelaten verzekeraar ook alleen geldt voor het deel dat niet is ondergebracht bij een toegelaten verzekeraar.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw de toepasselijke wetsbepaling niet juist had gelezen. De term “voor zover” heeft uitsluitend betrekking op de “begrenzingen” van het pensioen, dat wil zeggen de toegestane hoogte van het pensioen, aldus de rechtbank. Een splitsing van de pensioenaanspraak, in welke vorm dan ook, is niet aan de orde. Ook bij een gedeeltelijke overdracht van het pensioen aan een niet-toegelaten verzekeraar volgt de sanctie van belasting over de volledige aanspraak. De vrouw kon zich niet vinden in de uitspraak en ging in cassatie bij de Hoge Raad.

Voor de Hoge Raad was alleen de tweede stelling nog in geschil, maar ook daar kreeg de vrouw geen gelijk. Hoewel de wettekst en de toelichting van de wetgever volgens de Hoge Raad geen volledige duidelijkheid geven over de reikwijdte van de term “begrenzingen”, blijkt uit de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis dat deze term alleen betrekking heeft op de voorwaarden van de verschillende pensioenvormen (zoals ouderdoms- en nabestaandenpensi oen). Er zijn geen aanknopingspunten voor een ruimere uitleg. Bovendien strookte de uitleg van de vrouw niet met de duidelijke wettekst en wetsgeschiedenis van de sanctiebepaling. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waardoor de volledige pensioenaanspraak van € 120.076 tot het loon werd gerekend en in het belastbare inkomen uit werk en woning werd begrepen.

Bron: Hoge Raad, 13-3-2009, nr. 07/10142.

[Terug naar overzicht]

Boete belastingontduikers naar 300 procent

Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft de boete voor belastingplichtigen die geld in het buitenland uit het zicht van de fiscus proberen te houden verhoogd van 100 naar minimaal 300 procent.

Belastingplichtigen die wel gebruik maken van de inkeerregeling voordat de fiscus hen op het spoor is, kunnen daarmee een dergelijke boete en strafrechtelijke vervolging voorkomen.

Sinds bekend werd dat ook landen als Zwitserland, Luxemburg en Liechtenstein hun bankgeheim versoepelden, is het aantal inkeerders zeer sterk toegenomen.

Daarmee komt het totale aantal inkeerders in de eerste drie maanden van dit jaar op 317. De totale opbrengst van de inkeerregeling staat nu op 177 miljoen euro.

(Bron: Ministerie van Financiën)

[Terug naar overzicht]

Inlenersaansprakelijkheid geheel van tafel wegens ontbreken onderliggende urenbriefjes

Als een ondernemer/onderneming voor de bedrijfsvoering gebruik maakt van werknemers van een derde en die derde de voor de ondernemer verrichte werkzaamheden niet de verschuldigde belastingen en premies sociale verzekeringen afdraagt, dan kan de ondernemer onder omstandigheden daarvoor aansprakelijk worden gesteld. De ondernemer heeft daarbij wel het recht om gedetailleerd inzage te krijgen voor welk bedrag hij aansprakelijk is gesteld en hoe dat bedrag is opgebouwd. Verleent de belastinginspecteur die inzage niet of heel summier (bijvoorbeeld omdat hij zich beroept op de geheimhoudingsplicht voor ambtenaren), dan kan dat leiden tot vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling.

Rechtbank Breda heeft onlangs een uitspraak gedaan over de noodzaak tot goede onderbouwing van een beschikking aansprakelijkstelling bij inlening. De procedure betrof een bv die een onderneming dreef in aardappelproducten. De bv had voor het sorteren van aardappelen en het schoonmaken van de productieruimten in de periode 2000 tot en met 2004 uitzendkrachten ingeleend van een uitzendbureau. In 2004 stelde de belastingdienst een boekenonderzoek in bij het uitzendbureau over de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften loonbelasting van het uitzendbureau over een periode in de jaren 1999 – 2003. De loonadministratie bleek onvolledig/gebrekkig te zijn. Zo ontbrak ook een urenadministratie per werknemer. Het uitzendbureau ontving enige naheffingsaanslagen loonheffing maar liet die onbetaald.

Naast een boekenonderzoek bij het uitzendbureau stelde de belastingdienst ook derdenonderzoeken in bij andere inleners van het uitzendbureau. De controlerende ambtenaren voerden daarbij ter plekke het aantal gewerkte uren in in een digitaal bestand, maar maakten geen kopieën van de onderliggende stukken zoals urenbriefjes en (verkoop)facturen. In 2005 stelde de ontvanger de bv als een van de inleners van het uitzendbureau aansprakelijk voor een deel van de te weinig afgedragen loonheffing. De uren die niet aan specifieke werknemers van het uitzendbureau waren toe te rekenen, sloeg de ontvanger evenredig om over alle inleners. Hij paste daarbij de verdeelsleutel toe: het aandeel van een bepaalde inlener in de totale omzet van het uitzendbureau.

De bv maakte bezwaar tegen de aansprakelijkstelling en verzocht om inzage in de gegevens uit de administratie van de andere inleners. De ontvanger weigerde in eerste instantie aan het verzoek tegemoet te komen met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht. Later berichtte hij de bv dat hij aan het verzoek niet tegemoet kon komen omdat noch hij noch de inspecteur beschikte over de kopieën van urenbriefjes (of verkoopfacturen) die ten grondslag lagen aan de naheffingsaanslagen.

De bv stelde voor Rechtbank Breda dat de ontvanger onvoldoende gegevens had overgelegd om haar in staat te stellen om de juistheid van de naheffingsaanslagen te kunnen controleren. De rechtbank was het daarmee eens. Een aansprakelijkgestelde kan zo niet controleren of hij tot het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld. De rechtbank was voorts van oordeel dat het belang van een aansprakelijkgestelde om een dergelijke controle te kunnen uitvoeren zwaarder weegt dan het belang van de belastingdienst om uit doelmatigheidsoverwegingen te kiezen voor het niet bewaren van brondocumenten. De gevolgen van het niet kopiëren van essentiële informatie voor de onderbouwing van de naheffingsaanslag waarvoor de bv voor een deel aansprakelijk was gesteld, moest dan ook voor rekening van de belastingdienst blijven.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de beschikking aansprakelijkstelling. Daarmee was de gehele aansprakelijkstelling van tafel.

Bron: Rechtbank Breda, 27-2-2009, nr. 07/2481 (gepubliceerd 6-4-2009).

[Terug naar overzicht]

Voor aftrek van scholingsuitgaven is geen inkomensverbetering vereist

Kosten die u maakt om nieuwe kennis op te doen of bestaande kennis te verdiepen, zijn onder voorwaarden aftrekbaar als scholingsuitgaven. De uitgaven komen in beginsel voor aftrek in aanmerking als u aan een opleiding bent begonnen met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Als u een opleiding volgt om persoonlijke redenen of om vergroting van de persoonlijke uitrusting, dan bestaat echter geen recht op aftrek.

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of voor de aftrek van scholingsuitgaven is vereist dat sprake is van inkomensverbetering. Hof Arnhem had namelijk impliciet in deze zin beslist. De procedure betrof een man die in 2001 directeur-grootaandeelhouder was van een BV. Hij volgde sinds 1996 een opleiding tot beroepspiloot. Deze opleiding sloot hij in 2001 met succes af. Daarna volgde hij in 2002 nog twee aanvullende opleidingen. In 2006 volgde hij een opleiding tot vlieginstructeur. Per 1 augustus 2006 was de man als vlieginstructeur/piloot werkzaam. Zijn onderneming had hij verkocht. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2001 bracht de man de opleidingskosten (na aftrek van een drempel van € 500) als scholingsuitgaven op zijn inkomsten in aftrek. De inspecteur weigerde echter de aftrek. Hij meende dat de uitgaven niet kwalificeerden als scholingsuitgaven, omdat geen sprake zou zijn van een verbetering van de financieel-economische positie van de man. Rechtbank Arnhem stelde de man in het gelijk, maar Hof Arnhem stelde de inspecteur in het gelijk.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Arnhem echter vernietigd. Uit de wetsgeschiedenis maakte de Hoge Raad op dat de wetgever met de regeling van de aftrek voor scholingsuitgaven ‘employability’ heeft willen ondersteunen. Dat houdt in dat men zich met onder meer scholing wapent tegen de mogelijkheid van terugval van werkgelegenheid in de branche waarin men werkzaam is. Voor de kwalificatie van opleidingskosten als scholingsuitgaven is vereist, dat men met het volgen van die opleiding een bepaald beroep op het oog heeft en in redelijkheid kan verwachten om dat beroep na voltooiing van de opleiding te kunnen uitoefenen. Dit vereiste staat los van de vraag of men met het volgen van de opleiding een inkomensverbetering nastreeft.

De Hoge Raad heeft voorts aangegeven dat gedurende de opleiding of studie moet worden beoordeeld of aan het vereiste is voldaan en niet uitsluitend op het tijdstip van aanvang van de studie of opleiding zoals het hof had geoordeeld.

Bron: Hoge Raad, 10-4-2009, 08/00312.

[Terug naar overzicht]

Vaste onbelaste onkostenvergoeding moet vooraf zijn gespecificeerd

Veel werkgevers betalen hun werknemers een vaste kostenvergoeding voor kleinere, regelmatig voorkomende zakelijke kosten. Op grond van wet- en regelgeving kan deze vergoeding alleen onbelast worden uitbetaald, indien de vergoeding per kostensoort naar aard en veronderstelde omvang is gespecificeerd. De specificatie moet echter wel zijn opgesteld vóór of uiterlijk bij de eerste betaling van de vaste kostenvergoeding.

De meest recente procedure betrof een aantal naheffingsaanslagen loonheffing over de aan een directeur-grootaandeelhouder (dga) verstrekte vaste algemene kostenvergoedingen over de jaren 1997 tot en met 2001. De kostenposten waarop de vaste kostenvergoedingen betrekking hadden, waren niet vooraf naar aard en omvang gespecificeerd. Het hof verbond hieraan niet de conclusie dat de kostenvergoeding daarom al tot het loon behoorde en ging per kostencategorie na of de werkelijke kosten achterbleven ten opzichte van de daarvoor verstrekte vergoeding. Het hof achtte alleen de vergoeding voor het gebruik van de garage van de dga thuis voor de auto van de zaak tot een bepaald bedrag belastingvrij. Het overgrote deel van de vaste algemene kostenvergoeding vormde naar het oordeel van het hof belastbaar loon.

De werkgever stelde daarop cassatie in bij de Hoge Raad. Dat pakte anders uit dan de werkgever had gehoopt. De Hoge Raad was van oordeel dat de vaste kostenvergoedingen geheel tot het loon moesten worden gerekend, nu de werkgever de kostenvergoedingen niet vooraf of uiterlijk bij de betaling ervan had gespecificeerd. De Hoge Raad wees hierbij op zijn eerdere arrest van 7 maart 2008. De Hoge Raad casseerde daarop de hofuitspraak.

Deze uitspraak van de Hoge Raad sluit eveneens aan bij het arrest van 16 mei 2008. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat ook variabele lunchkosten die zich niet regelmatig voordoen, deel kunnen uitmaken van een onbelaste vaste onkostenvergoeding. Daarbij werd benadrukt dat variabele kosten onderdeel kunnen zijn van een vaste onkostenvergoeding voor zover het aannemelijk is dat deze kosten zich jaarlijks tot de veronderstelde omvang zullen voordoen. Hieruit blijkt dat, hoewel kosten niet maandelijks gelijk hoeven te zijn, deze wel vooraf naar aard en omvang moeten worden gespecificeerd.

Bron: Hoge Raad, 23-1-2009, nr. 07/13576.

[Terug naar overzicht]

Versoepeling voorwaarden verliesverrekening over 2008

Staatssecretaris De Jager versoepelt de voorwaarden om ondernemingsverliezen over 2008 te verrekenen. De fiscale maatregel maakt deel uit van het fiscaal stimuleringspakket van het kabinet om de crisis te bestrijden.

De versoepelingen zijn:

De Belastingdienst mag een verlies voorlopig verrekenen voordat aangifte is gedaan over 2008. De ondernemer moet dan wel aan de hand van een (voorlopige) jaarrekening aannemelijk maken dat hij verlies heeft geleden.
De Belastingdienst mag een voorschot geven op de voorlopige verrekening van een verlies als wij alleen nog maar een voorlopige aanslag hebben opgelegd over het jaar waarmee kan worden verrekend.
Daarbij geldt de volgende voorwaarde:

Ondernemers sturen een onderbouwd en ondertekend verzoek om een voorschot op de terugwenteling van een verlies aan de bevoegde inspecteur. Het doen van het verzoek houdt ook in dat:
de Belastingdienst het voorschot verrekent met het bedrag van de definitieve verrekening van het verlies
ondernemers het voorschot terugbetalen voor zover het bedrag van de definitieve verrekening van het verlies lager is dan het voorschot. Over dit bedrag is heffingsrente verschuldigd.
Liquiditeitspositie verbeteren

Het kabinet wil met deze maatregel de liquiditeitspositie van bedrijven ondersteunen.

Bron: Belastingdienst

[Terug naar overzicht]

Fiscus soepeler met belastingschuld bedrijf

Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft de Belastingdienst opdracht gegeven soepeler om te gaan met bedrijven die door de economische crisis een betalingsachterstand bij de fiscus hebben. Zij kunnen in overleg met de Belastingdienst uitstel krijgen.

De maatregel is bedoeld voor bedrijven die door een tijdelijk liquiditeitsprobleem hun belasting niet kunnen betalen. Dat zijn bijvoorbeeld ondernemers die geen financiële ruimte hebben om belasting te betalen over het vakantiegeld of de eindejaarsuitkering.

De belangrijkste voorwaarden zijn:

het gaat om een levensvatbare onderneming;
de onderneming kan de belastingschuld later voldoen;
de ondernemer kan concreet aangeven voor welke periode hij uitstel nodig heeft.
Ondernemers die deze mogelijkheid willen gebruiken, kunnen contact opnemen met de Belastingdienst. De brancheorganisaties van accountants en belastingsadviseurs worden actief geïnformeerd over de maatregel.

(Bron: Regering.nl)

[Terug naar overzicht]

De nieuwe btw-regels vanaf 2010 nader bekeken

Als onderdeel van een grootscheepse, gefaseerde aanpassing van de btw-regelgeving op Europees niveau wijzigt per 1 januari 2010 een groot aantal btw-regels in de hele EU. Met name de regels die bepalen waar voor de heffing van btw een dienst wordt verricht (“plaats-van-dienst”-regels), worden gewijzigd. In 2011, 2013 en 2015 volgt nog een aantal kleinere wijzigingen. Enerzijds leiden de wijzigingen tot vereenvoudigingen. Anderzijds leiden zij tot nieuwe verplichtingen, voornamelijk op het administratieve vlak. De lidstaten moeten deze Europese regels omzetten in nationale regelgeving. Recentelijk zijn in dat kader de voorstellen tot wijziging van de Nederlandse regelgeving gepubliceerd. Hierna gaan wij in op de voorgestelde wijzigingen.

Plaats van dienst vanaf 2010
Diensten waarvoor geen specifieke regel geldt, worden tot 1 januari 2010 voor de btw verricht waar de dienstverrichter woont of is gevestigd. Vanaf 1 januari 2010 verandert deze “hoofdregel”.

Voor diensten die worden verricht aan ondernemers (zogenoemde “B2B-diensten”) geldt als hoofdregel dat deze diensten voor de btw worden verricht waar de afnemer woont of is gevestigd. De afnemer van een dergelijke dienst moet dan de verschuldigde btw in de eigen aangifte als te betalen btw verantwoorden (“verlegging”). Voor zover deze afnemer een recht op aftrek bezit, kan hij deze btw op dezelfde aangifte weer in aftrek brengen. Als gevolg van deze nieuwe B2B-hoofdregel, in combinatie met de ruime toepassing van de “verleggingsregeling”, zal vanaf 1 januari 2010 bij grensoverschrijdende dienstverlening in minder gevallen daadwerkelijk btw in rekening worden gebracht (en hoeven te worden teruggevraagd). In afwijking van de hoofdregel bestaan voor een aantal diensten echter specifieke regels.

De regels die zien op diensten aan afnemers die geen btw-ondernemers zijn (zogenoemde “B2C-diensten”) veranderen minder ingrijpend.

Listings
Per 1 januari 2010 moeten ondernemers die “hoofdregel”diensten verrichten aan ondernemers in andere EU-landen, deze diensten periodiek via internet in een lijst (“listing”) verantwoorden. Deze diensten moeten worden uitgesplitst naar bedrag per btw-nummer van elke afnemer. Diensten die in het land van de ontvanger zijn vrijgesteld, moeten niet in de listing worden opgenomen.

De listing moet in beginsel maandelijks bij de belastingdienst worden ingediend, maar ondernemers hebben de mogelijkheid dit per kwartaal te doen. Deze keuze zullen zij tijdig aan de belastingdienst kenbaar moeten maken.

Buitenlandse (EU) btw terugvragen
Per 1 januari 2010 wordt het voor in de EU gevestigde ondernemers eenvoudiger om buitenlandse (EU) btw terug te vragen. De nieuwe procedure is ook van toepassing op buitenlandse btw die in 2009 wordt betaald. Vanaf 1 januari 2010 is het niet meer nodig om per post de documenten en alle originele facturen naar iedere afzonderlijke buitenlandse belastingdienst te sturen. Nederlandse ondernemers kunnen vanaf die datum de buitenlandse btw op elektronische wijze via de Nederlandse belastingdienst terugvragen. De Nederlandse belastingdienst beoordeelt dan de verzoeken en zorgt ervoor dat deze bij de desbetreffende buitenlandse instanties terechtkomen.

Een nieuw element in de teruggaafverzoeken is dat de kosten, waarover de btw wordt teruggevraagd, in een tiental categorieën moeten worden ingedeeld (negen specifieke categorieën en een categorie “overig”). Daarnaast moet de verzoeker exact aangeven hoeveel recht op aftrek bestaat in het land van vestiging. Ook nieuw is dat de buitenlandse belastingdiensten de verzoeken binnen een bepaalde tijd moeten behandelen. Bij overschrijding van deze periode moeten zij rente betalen.

Moment van belastbaarheid
Een regel die niet leidt tot vereenvoudiging, is de regel die bepaalt op welk moment btw verschuldigd is bij “verlegging”, dus indien de afnemer van de dienst de in zijn lidstaat verschuldigde btw in zijn aangifte moet opnemen als verschuldigde btw. De btw wordt dan verplicht verschuldigd op het moment waarop de dienst wordt verricht.

De afnemers van deze diensten zullen in veel gevallen niet (kunnen) weten op welk moment of voor welk bedrag deze diensten aan hen zijn verricht. Zij zijn over het algemeen afhankelijk van de informatie die wordt verstrekt op facturen van de dienstverrichters. Als zij de facturen voor deze diensten ontvangen na het moment waarop de btw volgens de nieuwe regels verschuldigd is, zullen zij deze btw te laat voldoen. Dit is vooral een knelpunt voor afnemers die geen of slechts een gedeeltelijk recht op aftrek hebben, omdat zij de verlegde btw daadwerkelijk verschuldigd worden.

Ook bestaat bij grensoverschrijdende dienstverrichtingen binnen de EU de kans op “mismatches” met de door de buitenlandse dienstverrichter ingediende listings en de door de ontvangers aan te geven btw over deze diensten. Dit zou kunnen leiden tot vragen van de belastingdienst.

Belangrijk: wat nu te doen?
De datum van 1 januari 2010 is dichterbij dan het lijkt, en er moet veel gebeuren:

Ondernemers moeten voor het bepalen van de plaats van dienst en voor het invullen van de listings, zeker weten dat hun (EU-)afnemers ondernemers zijn. Daartoe moeten deze afnemers hun btw-nummers opgeven en zullen de ondernemers deze btw-nummers moeten verifiëren via de Nederlandse belastingdienst. Als een afnemer zijn btw-nummer aan een ondernemer geeft en de ondernemer dit nummer bij de belastingdienst heeft geverifieerd, mag de ondernemer er bij het verrichten van zijn diensten van uitgaan dat deze diensten aan een ondernemer worden verricht.
Ondernemers zullen hun ERP-systemen aan de nieuwe regelgeving moeten aanpassen. Een aandachtspunt daarbij is dat de ERP-systemen de gegevens moeten kunnen produceren, die nodig zijn om de listings op te stellen. Van belang is ook dat eventuele verwijzigingen naar specifieke wetsartikelen op de huidige facturen worden aangepast.
De procedures voor het terugvragen van buitenlandse btw moeten worden aangepast. Verder moeten ondernemers die listings per kwartaal willen indienen, dat tijdig bij de belastingdienst kenbaar maken.
Iedereen die binnen uw organisatie betrokken is bij de verwerking van inkomende facturen, het opmaken van uitgaande facturen en het invullen van de btw-aangiften en listings, moet voor 1 januari 2010 op de hoogte worden gebracht van de wijzigingen en moet worden getraind.
Bron: Ministerie van Financiën, 7-4-2009, nr. 31907.

[Terug naar overzicht]

Minder belasting op erven en schenken, bedrijfsoverdracht eenvoudiger

De belastingheffing op erven en schenken gaat flink omlaag, vrijstellingen gaan omhoog en het overdragen van een bedrijf wordt - ook bij leven - makkelijker en goedkoper. Dat is de kern van de nieuwe schenk- en erfbelasting die staatssecretaris De Jager heeft ingediend bij de Tweede Kamer.

De tariefgroep van 41-68 procent verdwijnt. Het tarief voor partners en kinderen gaat omlaag naar 10 procent (tot 125.000 euro) en 20 procent (vanaf 125.000 euro) en voor andere verkrijgers naar 30 en 40 procent. De vrijstelling voor partners gaat omhoog naar 600.000 euro en voor kinderen en kleinkinderen naar 19.000 euro. Voor andere verkrijgers wordt deze verhoogd naar 2.000 euro.

Met de nieuwe vrijstellingen betalen veel minder mensen erf- en schenkbelasting dan voorheen. In totaal zullen nog maar 500 partners per jaar deze belasting hoeven betalen. Het aantal betalende kinderen daalt met een kwart.

Bedrijfsoverdracht wordt fiscaal eenvoudiger. De vrijstelling gaat omhoog. In de nieuwe wet geldt een vrijstelling van 90 procent van de waarde van het bedrijf. Dat is nu 75 procent. Deze vrijstelling wordt ook van toepassing op onroerend goed dat door de directeur-grootaandeelhouder ter beschikking wordt gesteld aan zijn vennootschap. Voor de verschuldigde belasting over de resterende 10 procent kan tien jaar uitstel van betaling worden verkregen.

Daarnaast wordt het overdragen van een bedrijf bij leven eenvoudiger en voordeliger. Bij schenken worden leeftijdsgrens en arbeidsongeschiktheidseis losgelaten. De schenker hoeft niet langer arbeidsongeschikt of 55 jaar of ouder te zijn.

Onder de oude successiewet was het mogelijk om door bepaalde constructies de belasting te ontlopen. Met de nieuwe wet kan dat niet langer. Vooral buitenlandse trusts, constructies van levensverzekeringen onder elkaar in de familie (niet afgesloten bij een verzekeraar) en uitgestelde levering van bijvoorbeeld een woning worden aangepakt.

Door deze constructies te bestrijden, zal de belastingopbrengst toenemen en kan het tarief voor iedereen omlaag. Ook de ANBI-regeling wordt gewijzigd: in de nieuwe wet wordt de eis gesteld dat de instelling zich voor tenminste 90 procent richt op het algemeen nut (nu is dat nog 50 procent).

Beoogde ingangsdatum van de herziene wet is 1 januari 2010.

(Bron: Ministerie van Financiën)

[Terug naar overzicht]

Afdrachtvermindering S&O met terugwerkende kracht verhoogd

Het kabinet stimuleert in deze economisch zware tijden innovatief ondernemerschap. Daarom gaat de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) met terugwerkende kracht tot 1 januari van dit jaar omhoog.

De afdrachtvermindering voor 2009 wordt:

50% (dit was 42%) van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking dat betrekking heeft op speur- en ontwikkelingswerk als het loon in totaal niet meer bedraagt dan € 150.000 (dit was € 110.000)
18% (dit was 14%) over het meerdere S&O-loon
De afdrachtvermindering is maximaal € 14.000.000 (dit was € 8.000.000).

Wat betekent dit voor u?

U krijgt van SenterNovem automatisch een aanvullende S&O-verklaring. Daarin staan het aanvullende bedrag van de afdrachtvermindering en het nieuwe totaalbedrag.

Voor de aangiften loonheffingen over 2009 die u al hebt gedaan, kunt u de aanvullende afdrachtvermindering claimen door deze aangiften te corrigeren. Omdat het geen gevolgen heeft voor het fiscale loon van uw werknemers, mag u de aanvullende afdrachtvermindering die hoort bij de aangiften die u al hebt gedaan, ook in uw eerstvolgende aangifte loonheffingen verwerken. Deze aangifte moet dan wel voldoende ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen en eindheffingen bevatten.

Bron: Belastingdienst

[Terug naar overzicht]

Het belang van een correcte loonadministratie

Hof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over een situatie waarin de loonadministratie van een werkgever niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden. Voor een aantal werknemers had de werkgever verzuimd de identiteit vast te stellen aan de hand van een voorgeschreven document. Volgens het hof heeft de belastingdienst dan ook terecht een naheffingsaanslag opgelegd tegen het anoniementarief van 52% en de bewijslast omgekeerd. De discussie zag met name op de vraag of alsnog kon worden aangetoond dat de vereiste documenten wel in de administratie aanwezig waren. Hierin slaagde de werkgever niet. De conclusie van het hof is niet opmerkelijk, maar bevestigt weer eens dat het niet op orde hebben van de loonadministratie een aanzienlijk risico met zich brengt.

Werkgevers dienen in de loonadministratie van elke werknemer in ieder geval een kopie van het identiteitsbewijs en een volledig ingevulde en ondertekende gegevensopgaaf loonheffingen (de vroegere loonbelastingverklaring) op te nemen. Ten aanzien van het identiteitsbewijs is daarbij van belang dat goed wordt gecontroleerd of het document echt is, of dit geldig is op het moment van indiensttreding en is voorzien van de handtekening van de werknemer. Voor de controle op de echtheid van het identiteitsbewijs is het van groot belang dat de werkgever zelf de kopie maakt en niet volstaat met het opvragen van een kopie bij de werknemer.

Naast de genoemde documenten die verplicht in de loonadministratie moeten worden opgenomen, zijn verder documenten vereist voor een aantal specifieke situaties. Voor werknemers die in een auto van de zaak rijden en de ‘verklaring geen privégebruik’ bij de belastingdienst hebben aangevraagd, dient de werkgever een kopie van deze verklaring in de administratie op te nemen. Hetzelfde geldt voor de verklaring arbeidsrelatie (VAR) voor personen die werkzaamheden als zelfstandige verrichten. Alleen indien u als opdrachtgever een kopie van een geldige VAR-winst uit onderneming of VAR-inkomsten voor rekening en risico van een vennootschap van de zelfstandige kunt overleggen, tezamen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, bent u als opdrachtgever gevrijwaard van het inhouden en afdragen van loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Bron: Hof Den Haag, 20-2-2009, nr. 08/00010.

[Terug naar overzicht]

 

Vaste onbelaste kostenvergoeding moet vooraf zijn gespecificeerd

Veel werkgevers betalen hun werknemers een vaste kostenvergoeding voor kleinere, regelmatig voorkomende zakelijke kosten. Op grond van wet- en regelgeving kan deze vergoeding alleen onbelast worden uitbetaald, indien de vergoeding per kostensoort naar aard en veronderstelde omvang is gespecificeerd. De specificatie moet echter wel zijn opgesteld vóór of uiterlijk bij de eerste betaling van de vaste kostenvergoeding. Daarnaast moet een werkgever de vaste onbelaste kostenvergoedingen op verzoek van de belastingdienst kunnen onderbouwen bij een steekproefsgewijs onderzoek.
 
De Hoge Raad heeft recent nogmaals benadrukt dat een vaste onbelaste kostenvergoeding geheel vooraf moet zijn gespecificeerd. Hof Den Haag had in zijn uitspraak in de onderhavige procedure in oktober 2007 nog in andere zin beslist en had een gedeelte van de vaste kostenvergoeding onbelast gelaten.
 
De procedure betrof een aantal naheffingsaanslagen loonheffing over de aan een directeur-grootaandeelhouder verstrekte vaste algemene kostenvergoedingen over de jaren 1997 tot en met 2001. De kostenposten waarop de vaste kostenvergoedingen betrekking hadden, waren niet vooraf naar aard en omvang gespecificeerd. Het hof verbond hieraan niet de conclusie dat de kostenvergoeding daarom al tot het loon behoorde en ging per kostencategorie na of de werkelijke kosten achterbleven ten opzichte van de daarvoor verstrekte vergoeding. Het hof achtte alleen de vergoeding voor het gebruik van de garage van de werknemer thuis voor de auto van de zaak tot een bepaald bedrag belastingvrij. Het overgrote deel van de vaste algemene kostenvergoeding oordeelde het hof belast (loon).
 
De bv stelde daarop cassatie in bij de Hoge Raad. Dat pakte anders uit dan de bv had gehoopt. De Hoge Raad was van oordeel dat -nu de bv de kostenvergoedingen niet vooraf of uiterlijk bij de betaling ervan had gespecificeerd- de vaste kostenvergoedingen geheel tot het loon moesten worden gerekend. De Hoge Raad wees hierbij op zijn eerdere arrest van 7 maart 2008. De Hoge Raad casseerde daarop de hofuitspraak.
 
Bron: Hoge Raad, 23-1-2009, nr. 07/13576.

[Terug naar overzicht]


Tijdelijke regeling willekeurige afschrijving gepubliceerd

Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft onlangs de bij de Najaarsnota aangekondigde tijdelijke fiscale regeling voor willekeurige afschrijving gepubliceerd. De regeling staat toe dat ondernemingen voor zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting over de jaren 2009 en 2010 maximaal 50% afschrijven op de aanschaffingskosten of voortbrengingskosten van bepaalde, nieuwe bedrijfsmiddelen. Deze willekeurige afschrijving is alleen mogelijk voor zover voor de bedrijfsmiddelen in 2009 investeringsverplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt.
 
De maatregel is gericht op investeringen in bedrijfsmiddelen die van direct belang zijn voor de economische ontwikkeling: investeringen in nieuwe materiële activa, met name outillage, transportmiddelen en vaste installaties in de open lucht. In beginsel komen alle nieuwe bedrijfsmiddelen in aanmerking voor de willekeurige afschrijving behalve een aantal uitzonderingen. De belangrijkste daarvan zijn gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, bromfietsen, motorrijwielen en personenauto’s (met uitzondering van taxi’s en zeer zuinige personenauto’s), dieren en immateriële vaste activa (waaronder software).
 
Voor deze regeling gelden enige voorwaarden. Zo moet het bedrijfsmiddel in beginsel vóór 1 januari 2012 in gebruik zijn genomen. Is dat niet het geval maar heeft wel al willekeurige afschrijving plaatsgevonden, dan wordt de willekeurige afschrijving bij de aanslag over het boekjaar dat eindigt op 31 december 2011 teruggenomen (bij een gebroken boekjaar: bij de aanslag over het boekjaar waarin 31 december 2011 valt). In bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld faillissement van de leverancier van het bedrijfsmiddel, kan de datum van 31 december 2011 op verzoek worden verschoven, en wel zoveel als door die omstandigheden wordt gerechtvaardigd. Van een bijzondere omstandigheid is geen sprake als de aard van het bedrijfsmiddel met zich brengt dat een lange bestel- of vervaardigingsperiode nodig is.
 
Verder mag het bedrijfsmiddel niet hoofdzakelijk (ten minste 70%) zijn bestemd om ter beschikking te worden gesteld aan derden. Willekeurige afschrijving kan al plaatsvinden zodra de investeringsverplichting is aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt. Bij andere vormen van willekeurige afschrijving, zoals voor milieubedrijfsmiddelen, investeringen door startende ondernemers en zeeschepen, bestaat een keuzemogelijkheid wat betreft de vorm van willekeurige afschrijving. Samenloop met andere vormen van willekeurige afschrijving is niet mogelijk. Gewone afschrijving kan plaatsvinden vanaf het tijdstip waarop het bedrijfsmiddel in gebruik is genomen.
 
De regeling treedt op 1 januari 2009 in werking.
 
Bron: Ministerie van Financiën, 10-12-2008, nr. DB 2008/679M.

[Terug naar overzicht]


Onbelaste vergoeding ziektekosten

Ziektekostenvergoedingen voor bijzondere ziektekosten zijn sinds 1 januari 2009 belast. Onder bepaalde voorwaarden mag een werkgever in 2009 deze kosten nog onbelast vergoeden

Heeft een werknemer in 2008 kosten gemaakt voor ziekte, invaliditeit en bevalling? Dan mag een werkgever die kosten tot en met 31 maart 2009 nog onbelast vergoeden, onder de volgende voorwaarden:

  • De werkgever heeft de vergoeding in 2008 toegezegd.  
  • De werknemer heeft deze kosten in 2008 betaald.  
  • De werknemer had deze kosten zonder de toezegging van de werkgever in zijn  aangifte inkomstenbelasting 2008 kunnen aftrekken.

Vergoedingen voor kosten van ziekte, invaliditeit en bevalling zijn alleen vrijgesteld voor de loonheffingen als deze berusten op een aanspraak die tot het loon behoort. Als de vergoeding van deze kosten niet berust op een belaste aanspraak, is deze vergoeding vanaf 1 januari 2009 belast loon.

Ook een (aanvullende) vergoeding voor premies van een ziektekostenverzekering is belast voor de loonheffingen.

Bron: Belastingdienst

[Terug naar overzicht]


Raad van Ministers akkoord met nieuwe Europese regels voor sociale zekerheid

Bij werken over de grens kan het voorkomen dat een werknemer niet meer in zijn woonland sociaal verzekerd is. Voor werknemers en voor u als werkgever is het van belang dat er geen dubbele sociale zekerheidspremies worden betaald. Binnen de Europese Unie is Europese regelgeving van toepassing op personen die geheel of gedeeltelijk niet in het land werken waar zij wonen. Deze regelgeving is nu opgenomen in de verordening 1408/71. Deze verordening bepaalt in welk land de persoon die grensoverschrijdend werkt binnen de Europese Unie sociaal verzekerd is. De verordening 1408/71 dateert uit 1971 en is aan een update toe. De Raad van Ministers heeft onlangs nieuwe Europese regels goedgekeurd. Als in mei 2009 het Europese Parlement ook akkoord gaat, treedt er een nieuwe Verordening, nr. 883/04, naar verwachting op 1 januari of 1 maart 2010 in werking.

Voor wie en wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de nieuwe verordening 883/04:

  • Expats en gedetacheerde werknemers. De initiële detacheringsperiode wordt  verlengd van 1 naar 2 jaar. Een maximale detacheringsperiode van 5 jaar blijft  naar verwachting ook mogelijk.  
  • Personen die in meerdere EU-landen werken. Werknemers die meer dan 25% in  hun woonland werken zijn daar verzekerd. Nu geldt in feite een veel lager  percentage, namelijk 1 dag per maand. Werknemers die minder dan 25% in hun  woonland werken, zullen straks verzekerd zijn in het land waar de werkgever  gevestigd is en dus niet meer in hun woonland. Nederlandse ondernemingen met  thuiswerkers die bijvoorbeeld in België wonen en die 1 dag per maand thuis  werken, zijn nu in België verzekerd. De nieuwe regels bepalen dat zij straks  niet meer in België verzekerd zijn maar in Nederland, omdat hun werkgever daar  gevestigd is. De premies moeten dan niet meer in België, maar in Nederland  afgedragen worden.  
  • Personen die werken voor een internationaal transportbedrijf. Het gaat  hierbij om wegtransportbedrijven (goederen of personen),  spoorwegmaatschappijen, luchtvaartmaatschappijen en de binnenvaart. De  werknemers worden verzekerd in het woonland als zij minimaal 25% van de tijd  daar werken. Nu gaat dit alleen op als zij hoofdzakelijk in het woonland  werken. Werknemers die werken voor een Nederlandse transportonderneming en die  niet in Nederland wonen, zullen eerder automatisch in een ander EU-land  verzekerd zijn. Omgekeerd zullen buitenlandse transportondernemingen met in  Nederland wonende werknemers eerder in Nederland sociale verzekeringspremies  moeten gaan afdragen.  
  • Directeur-grootaandeelhouders en statutair bestuurders. Verzekering in  twee landen is straks in principe niet meer mogelijk. Dit heeft met name  gevolgen voor de directeur-grootaandeelhouders die nu zowel in Nederland als  in België of een ander EU-land verzekerd zijn.  
  • Zeelieden. De detacheringsbepalingen voor zeelieden verdwijnen. Dit  betekent dat zeelieden verzekerd zijn in het land onder wiens vlag het  zeeschip vaart. Wanneer de zeelieden in hetzelfde land wonen als waar de  werkgever gevestigd is, is de sociale verzekeringswetgeving van dat land van  toepassing. Op deze twee regels, die nu ook al bestaan zijn in principe geen  uitzonderingen meer mogelijk.  
  • Ambtenaren. De aanwijsregels voor ambtenaren die verzekerd zijn in een  bijzonder stelsel verdwijnen. Ambtenaren zijn verzekerd in het land waar de  dienst, waarbij zij werken, is gevestigd. Als zij als ambtenaar werken in  meerdere EU-landen, zijn de eerdergenoemde regels van toepassing die gelden  voor personen die in meerdere EU-landen werken. Verzekering in twee landen,  zoals nu nog optreedt, is dan in principe niet meer mogelijk.
Bijzonderheden:
  • Er is overgangsrecht. De huidige regels blijven van toepassing zolang de  situatie ongewijzigd blijft. Het overgangsrecht duurt maximaal 10 jaar. Als  het voordeliger is om volgens de nieuwe regels in een ander land sociaal  verzekerd te zijn dan nu, dan kan men daartoe een verzoek indienen.  
  • Een E101 wordt niet afgegeven. Wel moeten de bevoegde autoriteiten op  verzoek van werkgever/werknemer een verklaring (vermoedelijk vergelijkbaar met  de E101) afgeven waaruit blijkt in welk land de werknemer sociaal verzekerd  is. Gegevens gaan in de Europese Unie elektronisch uitgewisseld worden.  
  • De nieuwe regels gelden nog niet voor de EER-landen (Noorwegen, IJsland en  Liechtenstein) en Zwitserland. Ook gelden zij nog niet voor niet-EU  onderdanen.

    [Terug naar overzicht]


Uitzendbureaus en inleners hoofdelijk aansprakelijk voor voldoening minimumloonen minimumvakantiebijslag

Momenteel zijn inleners, die uitzendkrachten inlenen van een uitzendbureau, uitsluitend verantwoordelijk voor de naleving van regels waar zij ook direct invloed op hebben, zoals de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet. Verplichtingen over de loonbetaling en de naleving daarvan liggen nu bij het uitzendbureau. Hier gaat verandering in komen! De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een wetsvoorstel ingediend over inlenersaansprakelijkheid met betrekking tot de voldoening van het toepasselijke minimumloon en de toepasselijke minimumvakantiebijslag.

Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft voorgesteld om in titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, afdeling Bijzondere bepalingen ter zake van de uitzendovereenkomst, een bepaling toe te voegen. De regering heeft voorgesteld om inleners die met een niet-gecertificeerd uitzendbureau zaken doen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor voldoening van het loon ter hoogte van het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag. Dit houdt in dat de uitzendkracht voor voldoening van het loon niet eerst het uitzendbureau hoeft aan te spreken en daarna de inlener, maar direct de inlener kan aanspreken op voldoening van het loon ter hoogte van het wettelijke minimumloon.

Het doel van dit wetsvoorstel is om de uitzendkracht die ter beschikking wordt gesteld aan een derde (de inlener) extra bescherming te geven, ongeacht het toepasselijke recht op de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst tussen het uitzendbureau en de inlener. Deze bescherming geldt niet enkel voor de illegale uitzendkracht, maar voor alle ter beschikking gestelde uitzendkrachten.

Deze bepaling geldt niet indien de inlener op het moment van het totstandkomen van de overeenkomst tussen het uitzendbureau en de inlener, zaken doet met een uitzendbureau dat NEN 4400 gecertificeerd is. Is een uitzendbureau NEN 4400 gecertificeerd, dan is de inlener gevrijwaard van aansprakelijkheid door de uitzendkracht. Dit om tegen te gaan dat inleners in zee gaan met malafide, niet gecertificeerde uitzendbureaus en de inlener ertoe te bewegen om met gecertificeerde uitzendondernemingen zaken te doen. Het aantal malafide uitzendbureaus is nog steeds hoog. Of u te maken heeft met een gecertificeerd uitzendbureau, kunt u nakijken in het Register Normering Arbeid van de Stichting Normering Arbeid.

Een gecertificeerd uitzendbureau wordt periodiek gecontroleerd op juiste en tijdige afdracht van loonheffingen, omzetbelasting, naleving van regels aangaande tewerkstelling van vreemdelingen en het betalen van het minimumloon. Ook buitenlandse uitzendorganisaties kunnen zich laten certificeren.

N. B.: Deze regeling staat geheel los van de fiscale inleningsaansprakelijkheid. Ook al leent u personeel in van een gecertificeerde uitzendorganisatie, u dient nog steeds uw inleningsrisico voor de loonheffingen af te dekken.

Het wetsvoorstel zal op een nader te bepalen tijdstip in werking treden.

[Terug naar overzicht]


BUA onder vuur

De Hoge Raad heeft aan het Hof van Justitie EG prejudiciële vragen gesteld over de rechtsgeldigheid van de regeling voor het privégebruik van de personenauto door personeel. Als inderdaad dan blijkt dat het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) niet rechtsgeldig is, vervalt mogelijk de correctie voor privégebruik van een auto van de zaak.

De Nederlandse Wet omzetbelasting(OB)-wetgeving kent twee bepalingen om het privégebruik van een auto door personeel te belasten:

  1. Het BUA, dat het gebruik door middel van een correctie van de aftrek  belast (fictief twaalf procent van de bijtelling voor het privégebruik).  
  2. De fictieve dienstbepaling, geregeld in art. 4.2 Wet OB (sinds 2007), die  het privégebruik gelijk stelt met een belastbare dienst door de  ondernemer.

Art. 16a Wet OB regelt dat het BUA (1) voorrang heeft op de fictieve dienstbepaling (2).

Beter af met geleased wagenpark
Het arrest dat aanleiding gaf tot de prejudiciële vragen, betreft een zaak van vóór de invoering van art. 4.2 Wet OB. Voor bedrijven met een eigen wagenpark lijkt de uitkomst van dit arrest daarom alleen interessant voor de berekening van het privégebruik in de jaren vóór 1 januari 2007.

Voor bedrijven die het wagenpark leasen, is het belang bij het arrest waarschijnlijk groter. Het lijkt er namelijk op dat genoemd artikel 4.2 niet van toepassing is op leaseauto’s. Het artikel stelt immers ‘het om niet verrichten van een dienst door de ondernemer voor eigen privégebruik of voor doeleinden van het personeel, of (…) voor andere dan bedrijfsdoeleinden’ gelijk met een dienst. De wetgever bedoelt hier blijkbaar diensten door de ondernemer zelf en niet de ingehuurde (lease)diensten van anderen.

Mocht nu blijken dat ook ingehuurde (lease)diensten onder deze bepaling vallen, dan geldt de fictieve dienst alleen als deze ‘om niet’ wordt verricht. Betaalt het personeel een eigen bijdrage, dan werkt deze bepaling dus niet. In dat geval is het goed te verdedigen dat op grond van het Scandic-arrest alleen de eigen bijdrage belast is met BTW, zonder verdere correctie van de voorbelasting. Daarmee komt toepassing van het BUA nog verder onder vuur te liggen.

Wat kunt u doen?
U kunt overwegen tijdig bezwaar te maken tegen uw correctie privégebruik auto. Uw accountmanager kan u hierbij helpen.

[Terug naar overzicht]


De doorbetaaldloonregeling in 2009:

De directeur-grootaandeelhouder (dga) wordt, zoals u weet, volgend jaar niet uit de loonheffing gehaald. In plaats daarvan komt er een alternatief pakket maatregelen om de lasten te verlichten. Hiernaast verandert de doorbetaaldloonregeling (DB-regeling). Deze regeling is onder andere van toepassing wanneer een dga arbeid verricht voor zowel zijn holding als voor zijn werk-BV. Met ingang van 1 januari 2009 geldt voor de loonheffing een andere DB-regeling dan voor de premies werknemersverzekeringen. De regeling kan onder meer gevolgen hebben voor uw opgebouwde pensioenrechten.

De doorbetaaldloonregeling geldt voor werknemers die in het kader van één dienstbetrekking voor diverse werkgevers werken, waarbij de hoofdwerkgever loonbelasting inhoudt op het totale loon. Dit wordt onder andere toegepast bij dga’s die zowel voor hun holding als voor hun werk-BV arbeid verrichten. Al sinds 1 januari 2007 is de DB-regeling niet van toepassing wanneer de dga voor zijn werkzaamheden bij de werk-BV verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, maar niet voor zijn arbeid bij de holding. Dit betekent dat in de werk-BV de premies werknemersverzekeringen worden afgedragen, terwijl de holding de loonheffing inhoudt en afdraagt.

Loonheffing per 1 januari 2009
Per 1 januari 2009 geldt voor de loonheffing een andere DB-regeling dan voor de premies werknemersverzekeringen. (art. 32d Wet LB 1964). In een zuivere holdingstructuur kunt u de DB-regeling onverkort blijven toepassen. Onverkorte toepassing bij een holdingstructuur met meer aandeelhouders kan, mits u als dga een aandelenbelang heeft van vijf procent of meer. Daarnaast moet u  via uw holding deelnemen in een werk-BV, ongeveer zoals een vennoot participeert in een vennootschap onder firma (vof). De DB-regeling voor de loonheffing maakt dus geen onderscheid naar een wel/niet verplichte verzekering voor de werknemersverzekeringen.

Om de DB-regeling voor de loonheffing te mogen toepassen, hebben dga’s niet langer een beschikking van de fiscus nodig. Als u via een holding in de werk-BV deelneemt, kunt u daarom zonder formaliteiten alleen bij de holding op de loonlijst staan. Bent u echter bij de werk-BV verzekerd, dan staat u ook daar op de loonlijst, maar dan alleen voor de premies werknemersverzekeringen.

Werknemersverzekeringen per 1 januari 2009
Voor de werknemersverzekeringen geldt een eigen DB-regeling. In dat kader is het wél doorslaggevend of u als dga al dan niet verplicht verzekerd bent voor de werknemersverzekeringen. De DB-regeling is niet van toepassing als u niet verplicht verzekerd bent. Bent u verplicht verzekerd bij zowel holding als werk-BV, dan geldt de DB-regeling ook voor de werknemersverzekeringen. De DB-regeling is niet toepasbaar wanneer u alleen bij de werk-BV verplicht verzekerd bent.

Denk aan uw pensioenrechten
Dat u op de juiste loonlijst staat, is niet alleen belangrijk voor de loonheffing en - eventueel - de premies werknemerverzekeringen, maar ook voor de opbouw van uw pensioenrechten. Als bij controle achteraf blijkt dat u bij de verkeerde BV in loondienst staat geregistreerd, kan de fiscus uw pensioenvoorziening direct belasten.

[Terug naar overzicht]


Commanditair vennoot kan toch zelfstandigenaftrek toepassen

De Hoge Raad heeft in een recent arrest bepaald dat een commanditair vennoot toch als zelfstandig ondernemer aan te merken was en daarom in aanmerking kwam voor de zelfstandigenaftrek. De zaak ging om een caravanhandelaar die volgens de Hoge Raad voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het zogenoemde beheersverbod had overtreden en dat de onderneming voor zijn rekening en risico kwam.

In zijn aangifte IB over 2001 had de caravanhandelaar een negatief bedrag van ruim 75.000 euro opgegeven. Daarin had hij de zelfstandigenaftrek opgenomen. De inspecteur van de Belastingdienst liet de zelfstandigenaftrek bij het vaststellen van de verliesbeschikking buiten beschouwing, omdat de caravanhandelaar volgens hem geen IB-ondernemer was. De handelaar was namelijk commanditair vennoot, en via zijn BV beherend vennoot, van de CV die de feitelijke onderneming dreef.

Commanditaire vennoten brengen alleen kapitaal in, terwijl beherende vennoten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden en daardoor ook risico lopen en hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Hofuitspraak
Het gerechtshof in Leeuwarden stelde de Belastingdienst in het ongelijk en kende de zelfstandigenaftrek toch toe. Volgens het hof had de man voldoende aannemelijk had gemaakt dat de onderneming voor zijn risico kwam doordat hij het zogenoemde beheersverbod heeft overtreden. Daardoor voldeed hij aan het urencriterium van 1.225 uur.

Overtreding beheersverbod
De Hoge Raad heeft dit oordeel van het hof bevestigd en het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond verklaard. Door het overtreden van het beheersverbod wordt een commanditair vennoot van rechtswege hoofdelijk verbonden voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap, stelt de Hoge Raad. Dit is voldoende voor ondernemerschap in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001.

AG concludeerde anders
Opvallend is dat advocaat-generaal Overgaauw in zijn conclusie stelde dat het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond moest worden verklaard. Volgens Overgauw zou toekenning van de zelfstandigenaftek in dit geval ongewenst zijn, en bovendien moesten de werkzaamheden van de dga aan de BV worden toegerekend zodat niet werd voldaan aan het urencriterium.

[Terug naar overzicht]


Bestuurdersaansprakelijkheid en het belang van de melding van betalingsonmacht

Bestuurders van vennootschappen kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de door de vennootschap te betalen, maar niet afgedragen loonheffingen. De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt voor ieder van de bestuurders. De functie van de bestuurder is daarbij niet van belang.

Indien de vennootschap de loonheffingen niet kan betalen, dient dit tijdig bij de Belastingdienst te worden gemeld. De vennootschap is daartoe verplicht, uiterlijk twee weken na de dag waarop het verschuldigde bedrag aan loonheffingen op aangifte had behoren te zijn afgedragen. Op verzoek van de Belastingdienst is de vennootschap vervolgens ook verplicht om nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. De melding van betalingsonmacht zal veelal door een van de bestuurders worden gedaan. De melding is vormvrij en kan zowel mondeling als schriftelijk worden gedaan.
 
Indien de betalingsonmacht op de juiste wijze wordt gemeld, is de aansprakelijkheid van de bestuurders beperkt. Bestuurders worden alleen aansprakelijk gesteld indien de Belastingdienst aannemelijk kan maken dat het niet betalen van de loonheffingen het gevolg is van aan hen te verwijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voorafgaand aan het tijdstip van de melding. In dat geval is het niet kunnen betalen van de loonheffingen direct aan de bestuurder te wijten, bijvoorbeeld door het niet voeren van een behoorlijke boekhouding.
 
Wanneer de betalingsonmacht van de vennootschap niet op de juiste wijze is gemeld, geldt een strengere regeling. De bestuurders zijn direct hoofdelijk aansprakelijk en er is een wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de loonheffingen aan de bestuurders te wijten is. De bestuurders dienen aannemelijk te maken dat het niet aan hen te wijten is dat de vennootschap niet heeft voldaan aan de meldingsplicht. Een zeer zware sanctie dus, waarbij een omkering van de bewijslast van toepassing is.
 
In de huidige economisch minder voorspoedige tijden zullen naar verwachting meer vennootschappen niet kunnen voldoen aan de financiële verplichtingen. Een tijdige melding van betalingsonmacht is daarom van groot belang.
 
Bron: artikel 36 Invorderingswet.

[Terug naar overzicht]


Kleding wordt door vervuiling geen werkkleding

De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat de door een schildersbedrijf verstrekte kleding aan werknemers geen werkkleding in fiscale zin is. Het feit dat de kleding tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden wordt vervuild, maakt kleding niet tot werkkleding. De werkgever was van mening dat de kleding juist wel als werkkleding kon worden aangemerkt. Na de eerste verstrekking raakt de kleding snel besmeurd met verfvlekken die niet zijn te verwijderen. Daarmee is de kleding ongeschikt om in de privésfeer te gebruiken.

Om voor een vrije verstrekking van de werkgever in aanmerking te komen, dient kleding als werkkleding te worden aangemerkt. De kleding dient uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt te zijn om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen of te zijn voorzien van een of meer logo's van de werkgever met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 70 cm2. Een vrije verstrekking van kleding die niet als werkkleding wordt aangemerkt, is alleen mogelijk indien de kleding tijdens de vervulling van de dienstbetrekking wordt gedragen en aantoonbaar op het werk achterblijft.
 
In 2006 heeft Hof Amsterdam uitspraak gedaan in deze zaak en geoordeeld dat de verstrekte kleding normaliter niet, maar gezien de omstandigheden fiscaal wel als werkkleding kwalificeert. Als gevolg van de vervuiling tijdens het werk is de kleding uitsluitend geschikt om tijdens de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen en daarmee ongeschikt voor gebruik in de privésfeer.
 
De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat kleding die op zichzelf buiten het kader van de vervulling van de dienstbetrekking kan worden gedragen, niet als werkkleding kan worden aangemerkt. De vervuiling van de kleding doet daaraan niets af. De werkgever kan de kleding daarom niet onbelast verstrekken.
 
De uitspraak is een van de vele uitspraken over werkkleding van de afgelopen jaren. De Hoge Raad volgt de lijn van een eerdere uitspraak uit 1995 in een vergelijkbare situatie waarbij kleding werd verstrekt aan medewerkers van een bedrijf dat zich bezighield met de overslag van vloeibare zwavel en waarbij de kleding blootstond aan extra vervuiling en slijtage. Het is daarom opmerkelijk dat Hof Amsterdam in 2006 tot een andere conclusie was gekomen.
 
Bron: Hoge Raad, 19-12-2008, nr. 43305.

[Terug naar overzicht]


EU-Hof: giften aan buitenlandse doelen aftrekbaar

Giften aan instellingen in andere EU-landen moeten in principe ook aftrekbaar zijn van de inkomstenbelasting. Het Europees Hof van Justitie heeft dat bepaald.

Het Hof vindt beperkingen tot instellingen in het eigen land 'een in beginsel verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal.' Als een instelling in een EU-land is erkend als een organisatie van algemeen nut, mogen andere EU-landen die instelling niet weigeren alleen omdat die niet op hun grondgebied is gevestigd.

Gift in natura
De zaak waar het Hof over oordeelde betrof een Duitser die een gift in natura ter waarde van ruim 18.000 euro had gedaan aan een Portugees kinder- en bejaardentehuis. Van de Duitse fiscus mocht hij deze gift niet aftrekken.

ANBI
Nederland heeft een soortgelijke regeling. Nederlanders mogen alleen giften aftrekken aan goede doelen die door de Nederlandse belastingdienst zijn erkend als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Dat gaat bijna uitsluitend om instellingen in Nederland.

[Terug naar overzicht]


Man/vrouw firma: let op aangescherpt urencriterium

In een samenwerkingsverband tussen verbonden personen, denk bijvoorbeeld aan de man/vrouw-firma, is het mogelijk dat de uren die de ene partner aan de onderneming besteed heeft, niet meetellen voor het urencriterium.

Dat is het geval als die werkzaamheden uitsluitend van ondersteunende aard zijn en het bovendien ongebruikelijk zou zijn dat een dergelijk samenwerkingsverband wordt aangegaan tussen niet-verbonden personen.

In een casus die aan het Hof Arnhem werd voorgelegd, exploiteerde een echtpaar in de vorm van een vof een tandtechnisch laboratorium. De man is tandtechnicus van beroep en beschikt over de daarvoor vereiste diploma´s. De vrouw verricht wekelijks meer dan 30 procent van haar tijd aan uitvoerende tandtechnische werkzaamheden, die door het Hof als niet ondersteunend van aard zijn aangemerkt. Daarnaast verricht de vrouw werkzaamheden op het commerciële en organisatorische vlak en zou zij, vanwege haar kwaliteiten op dit gebied, in staat zijn om het tandtechnisch laboratorium zonder haar echtgenoot voort te zetten door bijvoorbeeld een tandtechnicus in dienst te nemen. Volgens het Hof zijn ook deze werkzaamheden derhalve aan te merken als niet ondersteunend van aard. Aangezien de werkzaamheden van de vrouw niet hoofdzakelijk (= 70% of meer) van ondersteunende aard zijn, hoeft niet meer beoordeeld te worden of de samenwerking ongebruikelijk is. De vrouw voldoet aan het urencriterium en heeft recht op zelfstandigenaftrek.

Als u een samenwerkingsverband met een verbonden persoon bent aangegaan of aan wilt gaan, is het dus van belang vast te stellen dat de werkzaamheden die verricht worden door (een van) de partners niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. In een eerdere uitspraak bepaalde Hof Arnhem dat in een situatie waarin de man zich met de technische kant van de onderneming en de vrouw zich uitsluitend met de financieel-administratieve kant bezig hield, de werkzaamheden van de vrouw weliswaar van ondersteunende aard zijn, maar dat een dergelijke samenwerking ook tussen niet-verbonden personen voorkomt en dus niet ongebruikelijk is.

Een goede omschrijving en vastlegging van de werkzaamheden die de partners verrichten, versterkt uw positie tegenover de inspecteur.

[Terug naar overzicht]


Feitelijke onderworpenheid aan Griekse belasting was geen criterium voor vaststelling inwonerschap

Nederland heft vennootschapsbelasting van lichamen - bijvoorbeeld nv's en bv's - die in Nederland zijn gevestigd (binnenlands belastingplichtigen) en van niet in Nederland gevestigde lichamen die Nederlands inkomen genieten (buitenlands belastingplichtigen). De vestigingsplaats van een lichaam wordt bepaald naar de feiten en omstandigheden van het geval. De plaats van de werkelijke leiding van de vennootschap bepaalt doorgaans de vestigingsplaats.
 
Naast bovengenoemde feitelijke omstandigheden die de vestigingsplaats van een lichaam bepalen, kan een lichaam in Nederland belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting op basis van de zogeheten woonplaatsfictie. Deze fictie houdt kort gezegd in dat de oprichting van een lichaam naar Nederlands recht ertoe leidt dat het opgerichte lichaam steeds geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd. Er gelden hierbij nog enige aanvullende bepalingen. Ingeval de werkelijke leiding van een naar Nederlands recht opgericht lichaam niet in Nederland is gelegen, heeft het lichaam in beginsel een dubbele vestigingsplaats. Het belastingverdrag met het land waar de werkelijke leiding is gevestigd moet in dat geval uitsluitsel bieden over de vestigingsplaats, anders ontstaat dubbele heffing.
 
De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de heffingsbevoegdheid van de Nederlandse fiscus in een specifieke situatie. Het betrof een (naar Nederlands recht opgerichte) bv waarvan de directeur-grootaandeelhouder met zijn echtgenote eind 1995 naar Griekenland was geëmigreerd. Niet in geschil was dat zij in fiscaal opzicht inwoners van Griekenland waren geworden en ook niet dat de plaats van de werkelijke leiding van de bv naar Griekenland was overgegaan. De bv was door Griekse bureaucratie echter nog steeds niet geregistreerd en beschikte evenmin over een woonplaatsverklaring van de Griekse belastingdienst. Ook had de bv tot de behandeling van de zaak voor Hof Amsterdam in 2005 nog geen aanslagen in de Griekse (vennootschaps)belasting ontvangen.
 
De inspecteur legde de bv over 1996 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op en voor 1999 een aanslag vennootschapsbelasting. Hij was van mening dat - wil de bv volgens het belastingverdrag met Griekenland als inwoner kwalificeren - de bv ook feitelijk moet zijn onderworpen aan de Griekse (vennootschaps)belasting. Het hof was het met de inspecteur eens dat de bv in 1996 en 1999 niet feitelijk was onderworpen aan de Griekse (vennootschaps)belasting. Echter, het artikel in het belastingverdrag met Griekenland over inwonerschap stelt feitelijke onderworpenheid aan een belasting niet als voorwaarde voor het inwonerschap. De visie van de inspecteur strookte ook niet met het commentaar bij het artikel over de woonplaatsbepaling in het OESO-modelverdrag, waarop het artikel van de woonplaatsbepaling uit het belastingverdrag met Griekenland is gebaseerd. Het hof stelde de bv daarop in het gelijk en vernietigde de door de inspecteur opgelegde belastingaanslagen.
 
De staatssecretaris ging in beroep bij de Hoge Raad, maar alle daar aangevoerde cassatiemiddelen misten doel.
 
Bron: Hoge Raad, 16-1-2009, nr. 43128.

[Terug naar overzicht]

Wijzigingen Wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht

Minister Hirsch Balin van Justitie heeft een aantal inhoudelijke wijzigingen aangebracht in het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. De wijzigingen betreffen met name de statutaire verplichtingen van aanbieding en overdracht van aandelen, de aansprakelijkheidsregeling bij uitkeringen aan aandeelhouders en de stemrechten van aandeelhouders.
Aanbieding en overdracht van aandelen

Naar huidig recht zijn de aandelen in een bv in beginsel niet vrij overdraagbaar: de statuten van een bv moeten een blokkeringsregeling bevatten. Daarvoor zijn twee vormen mogelijk:
de aanbiedingsregeling verplicht een aandeelhouder die aandelen wil overdragen, de aandelen eerst aan te bieden aan andere aandeelhouders, of aan een derde
de goedkeuringsregeling onderwerpt een aandelenoverdracht aan de voorafgaandelijke goedkeuring van raad van bestuur of algemene vergadering, een groep aandeelhouders of een bepaalde derde
De blokkeringsregeling is in het nieuwe bv-recht niet meer verplicht. Wil de bv toch voor een blokkeringsregeling kiezen, dan geldt als grens dat hierdoor de overdracht van aandelen niet onmogelijk of uiterst bezwaarlijk mag worden gemaakt. Ten aanzien van de statutaire verplichtingen tot aanbieding en overdracht van aandelen en statutaire eisen aan het aandeelhouderschap was voorgesteld dat hiervoor een gewone meerderheid volstond.

In het gewijzigde voorstel wordt nu bepaald deze niet tegen de wil van de aandeelhouder kunnen worden opgelegd. Door deze wijziging wordt de bescherming van minderheidsaandeelhouders op dit gebied op hetzelfde niveau gebracht als bij statutaire verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard.
Aansprakelijkheid bij uitkeringen aan aandeelhouders

De aansprakelijkheidsregeling bij uitkeringen aan aandeelhouders wordt zo aangepast dat de reikwijdte van de aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders beperkt blijft tot het tekort dat door de uitkering is ontstaan (in plaats van het volledige bedrag van de uitkering). Voor de aansprakelijkheid van aandeelhouders wordt niet langer de voorwaarde gesteld dat de vennootschap binnen een jaar na de uitkering in staat van faillissement is gesteld.

De regeling wordt hiermee in overeenstemming gebracht met de bestaande jurisprudentie. Overeenkomstige wijzigingen zijn aangebracht in de regeling voor inkoop van eigen aandelen.
Stemrechten aandeelhouders

Onder het nieuwe bv-recht kan in de statuten naar hartelust worden gevarieerd voor wat betreft de rechten die worden verbonden aan aandelen: naast stemrechtloze en winstrechtloze aandelen, zijn ook aandelen met flexibel stemrecht mogelijk.

In de nota van wijziging is nu bepaald dat een variabele verdeling van stemrechten wel betrekking moet hebben op alle besluiten van de algemene vergadering. De oorspronkelijk voorgestelde mogelijkheid om het stemrecht per besluit te laten variëren (de zogenaamde 'beperkt' stemrechtloze aandelen) wordt dus niet gehandhaafd. Hiermee wordt onnodige complexiteit, met name bij het begrip dochtermaatschappij, vermeden.

Verder is de bepaling geschrapt dat een besluit waarmee nadeel wordt toegebracht aan de rechten van houders van stemrechtloze aandelen niet zonder hun instemming kan worden genomen. Deze bepaling zou de besluitvorming in de algemene vergadering onnodig kunnen belemmeren en leidde er bovendien toe dat de stemrechtloze aandeelhouder meer bescherming zou genieten dan een aandeelhouder die op grond van een variabele stemrechtverdeling relatief weinig stemrecht heeft.
Besluitvorming buiten vergadering

Besluitvorming wordt buiten de vergadering verder gefaciliteerd door te bepalen dat aan het vereiste van schriftelijkheid van de stemmen ook is voldaan als het besluit, onder vermelding van de wijze waarop men heeft gestemd, schriftelijk of elektronisch wordt vastgelegd en door alle vergadergerechtigden is ondertekend.
Technische aanpassingen

Ten slotte bevat de nota van wijziging verschillende technische aanpassingen, waaronder een nadere uitwerking van de positie van stemrechtloze aandelen bij de berekening van drempels en quora bij besluitvorming of uitoefening van rechten en bevoegdheden. De nota is inmiddels naar de Tweede Kamer gestuurd.

[Terug naar overzicht]

Klassiekervrijstelling toch aangepakt

Op dinsdag 25 november 2008 is het Belastingplan 2009 behandeld, waarin enkele nadelige maatregelen zijn getroffen voor bezitters van oldtimers. Dat nadeel geldt voor zowel privérijders als zakelijke rijders.
Bijtelling voor zakelijke klasiekers

Het begrip oldtimer voor de bijtelling en onttrekking privégebruik van de auto van de zaak wordt met ingang van 1 januari 2010 verhoogd van 15 naar 25 jaar. Bij oldtimers wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer en niet van de catalogusprijs. De besparing voor de overheid wordt ingezet voor slooppremies.
Klassiekervrijstelling in 2011 bevroren

De vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor voertuigen ouder dan 25 jaar wordt per 31 december 2011 bevroren. Voertuigen die op die datum 25 jaar of ouder zijn blijven onder de vrijstelling vallen, maar dat voertuigen die op die datum jonger zijn kunnen niet meer van de vrijstelling gebruik maken. Het vervallen van de vrijstelling werkt door naar de provinciale opcenten.
[ Bron: Redactie Plein+ ]

[Terug naar overzicht]

Fiscale stimuleringsmaatregelen en regeling werktijdverkorting vanwege kredietcrisis

Het kabinet heeft een aantal maatregelen bekendgemaakt om de negatieve gevolgen van de kredietcrisis voor de economie tegen te gaan. Twee daarvan zijn fiscaal van aard.
De willekeurige of vervroegde afschrijvingen op bepaalde bedrijfsmiddelen worden weer ingevoerd. Deze maatregel houdt in dat de afschrijving in twee jaar mag plaatsvinden en wel tot ten hoogste 50% in een kalenderjaar. De willekeurige of vervroegde afschrijving is in beginsel gericht op alle bedrijfsmiddelen met enkele uitzonderingen. Welke dat zijn, is nog niet bekend. Een samenloop met willekeurige afschrijving voor startende ondernemers en willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen is echter niet mogelijk.
Het mkb-tarief van de tweede schijf in de vennootschapsbelasting wordt verlaagd van 23% tot 20% voor de jaren 2009 en 2010. Het mkb-tarief geldt tot een belastbaar bedrag van € 200.000. In het Belastingplan 2009 is al voorgesteld om deze tweede schijf voor 2008 ook te verlagen tot 20%, maar dan voor een belastbaar bedrag tot € 275.000.
Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft voorts aangegeven te onderzoeken of het wenselijk is om gelden uit een spaarloonregeling te deblokkeren om consumentenbestedingen te stimuleren.

De niet-fiscale stimuleringsmaatregelen betreffen onder meer de volgende:

Bedrijven die door de kredietcrisis te kampen hebben met acute vraaguitval kunnen werktijdverkorting voor hun personeel aanvragen. Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer de (stringente) voorwaarden voor werktijdverkorting bekendgemaakt.
Doel van deze regeling is om te voorkomen dat in wezen gezonde bedrijven door de kredietcrisis overreageren op de vraaguitval door personeel te ontslaan dat mogelijk kort daarna weer hard nodig is. Cruciale factor bij de werktijdverkorting is de mate van omzetverlies. Deze moet minimaal 30% bedragen ten opzichte van de twee maanden vóór de aanvraag van werktijdverkorting (en voorts gecorrigeerd voor seizoensinvloeden). Gedurende de periode van werktijdverkorting ontvangt de betrokken werknemer een ww-uitkering voor dat deel van de werktijd waarvoor werktijdverkorting is verleend. Ingeval een werknemer nog geen toegang heeft tot de ww (bijvoorbeeld op grond van zijn arbeidsverleden) betaalt de werkgever gedurende de periode van werktijdverkorting het loon door. De periode van werktijdverkorting is in beginsel 6 weken en kan worden verlengd tot maximaal 24 weken.
De regeling van werktijdverkorting staat in beginsel tot 1 januari 2009 open en wordt gesloten zodra de aanvragen voor werktijdverkorting de grens van 20.000 voltijdsarbeidsplaatsen heeft bereikt. De regeling voor arbeidstijdverkorting wordt deze week in de Staatscourant geplaatst.
Verder wil het kabinet regionale mobiliteitscentra om mensen van werk naar werk te bemiddelen. Dit moet dreigende werkloosheid voorkomen.
Ten slotte wil het kabinet infrastructuurprojecten versnellen, waaronder de nieuwe Deltawerken.
Bron: Ministerie van Algemene Zaken, 21-11-2008, nr. 3396570; Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 24-11-2008, AV/IR/2008/33534.

[Terug naar overzicht]

Controlepunt fiscus 2008: de vaste kostenvergoeding

Geeft u uw werknemers een vaste kostenvergoeding of heeft u plannen om dit te gaan doen? Houdt u er dan rekening mee, dat kostenvergoedingen in 2008 hoog op de controlelijst van de Belastingdienst staan. Als u een naheffingsaanslag wilt voorkomen, doe dan vooraf een kostenonderzoek.
Als werkgever mag u een aantal zakelijke kosten onbelast vergoeden. U kunt uw werknemers declaraties laten indienen, maar de administratieve rompslomp waarmee dit gepaard gaat, is enorm. Reden waarom de meeste werkgevers kiezen voor een vaste kostenvergoeding. U keert uw werknemers dan eens per maand of vier weken een vast bedrag uit. Voor een echt belastingvrije uitkering gelden eisen. Een vaste kostenvergoeding is namelijk pas onbelast, als: uw administratie specificeert welke zakelijke kosten de vaste kostenvergoeding dekt, een steekproefsgewijs onderzoek aangeeft hoe hoog de werkelijke kosten zijn. Punt van aandacht daarbij is dat het kostenonderzoek vooraf moet plaatsvinden.

Goed onderzoek

Als u een kostenonderzoek gaat doen, let dan op het volgende: zorg ervoor dat minimaal 15% van uw werknemers minstens drie maanden lang alle kosten registreert en dat ze hiervan bonnen of facturen kunnen laten zien. Kies een representatieve onderzoeksperiode en vermijd de zomer- en vakantiemaanden. Betrek in de vaste kostenvergoeding alleen kosten die regelmatig terugkeren.

Nare naheffing

Zonder kostenspecificatie en kostenonderzoek blijft een looncontrole risicovol. De Belastingdienst kan uw vaste kostenvergoeding alsnog (gedeeltelijk) aanmerken als loon en dat heeft een nare naheffing tot gevolg. De strop wordt alleen maar groter, als u bedenkt dat een boekenonderzoek vaak meerdere jaren betreft.

[Terug naar overzicht]

Successierecht: verlaging tarieven en vereenvoudiging vrijstelling

De staatssecretaris van Financiën heeft echter besloten per 1 januari 2010 de tarieven van het successie- en schenkingsrecht te verlagen in plaats van met een nieuwe wet te komen. Hoewel hij meent dat iedereen er met de nieuwe regeling op vooruit gaat, lijkt het erop dat kleinkinderen veel zwaarder belast zullen worden. Ook de vrijstelling voor verkrijgingen door ouders van kinderen wordt aanzienlijk minder.

Op dit moment kennen we nog vier tariefgroepen met elk zeven tariefschijven. Per 1 januari 2010 zullen er nog twee tariefgroepen zijn met elk twee tariefschijven: één groep voor partner en kinderen en één voor de overige verkrijgers. De nieuwe tariefpercentages zijn:

Bedrag van de verkrijging
Voor langstlevende en kinderen Voor overige verkrijgers
Tot en met € 125.000 10% 30%
Boven € 125.000 20% 40%

Daarnaast worden de vrijstellingen voor de langstlevende en kinderen verruimd. De vrijstelling bij overlijden wordt voor de langstlevende partner verhoogd naar 600.000 euro. Voor de kinderen wordt de zogenoemde drempelvrijstelling bij overlijden, gewijzigd in een ‘voetvrijstelling’. Dit houdt in dat alleen het gedeelte boven de vrijstelling wordt belast. Bovendien wordt deze vrijstelling verhoogd naar 19.000 euro.

Tegengaan van constructies
Om de tariefsverlagingen te financieren, zullen ‘constructies’ harder worden bestreden. De staatssecretaris doelt hierbij niet alleen op de doelvermogens, maar ook op de herroepelijke schenking, de onlangs door de Hoge Raad gehonoreerde uitgestelde levering van onroerend goed en de levensverzekering binnen de familiekring. Onduidelijk is echter nog hoe de staatssecretaris deze constructies wil bestrijden. We houden u uiteraard op de hoogte.

Gevolgen voor u
Hoewel de meeste tarieven omlaag gaan, blijft een schenkingsplan vaak tot belastingbesparing leiden. De laagste tariefschijven voor kinderen bedragen op dit moment namelijk vijf procent voor verkrijgingen tot 22.382 euro en acht procent voor verkrijgingen van 22.382 euro tot 44.758 euro terwijl dit per 2010 tien procent wordt. Een schenking van 50.000 euro (waarvan 5.000 euro is vrijgesteld van belasting) aan uw kind kost in 2008 3.000 euro schenkingsrecht en vanaf 2010 4.500 euro. Misschien is het voor u aantrekkelijk in 2008 en 2009 nog gebruik te maken van deze tariefschijven en bedragen aan uw kinderen te schenken tegen vijf procent en acht procent.

[Terug naar overzicht]

 

Wet ter voorkoming witwassen en financieren van terrorisme (WWFT)

Vanaf 1 augustus 2008 is de WWFT van kracht, een samenvoeging van de Wet identificatie bij dienstverlening (WID) en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT).
De WWFT verplicht accountants- en adviesorganisaties een cliëntenonderzoek in te stellen en ongebruikelijke transacties te melden bij opdrachten waarbij zij werkzaamheden uitvoeren voor de jaarrekening, administraties, belastingadvies, aangiften en nieuwe soorten dienstverlening zoals ‘tax assurance’. Onze opdrachtbevestigingen voor deze opdrachten bevatten een paragraaf hierover. Waar verplicht deze wet Gerrits Accountants & Adviseurs toe?

Cliëntenonderzoek
Wat moeten we bij aanvaardiging van een opdracht op grond van de WWFT in een cliëntenonderzoek doen?

Stap Verplichte acties
Identificatie en verificatie van de cliënt - de naam en adresgegevens van cliënt achterhalen.
- van natuurlijke personen (via een identiteitsbewijs) de voornamen en geboortedatum vaststellen.
- van een rechtspersoon (via de KvK) de rechtsvorm, statutaire naam, handelsnaam en plaats van vestiging en land van de statutaire zetel en waar mogelijk het registratienummer bij een KvK vaststellen.
   
Identificatie en risk based verificatie van de UBO’s - indien van toepassing vaststellen wie de uiteindelijke belanghebbenden (UBO’s*) van een rechtspersoon zijn.
   
Vaststelling van doel en beoogde aard van de zakelijke relatie

-de risicogevoeligheid beoordelen voor witwassen of terrorismefinanciering beoordelen aan de hand van de volgende criteria: type cliënt, type zakelijke relatie, product of transactie, land van herkomst en maatschappelijke omgeving van de cliënt.

   
‘Voortdurende controle’ van de zakelijke relatie en de transacties - gedurende de opdracht continu beoordelen of de verleende dienst past bij het profiel van de klant.
- wijzigingen in de hoedanigheid van de cliënt of zijn/haar omstandigheden beoordelen op witwassen of terrorismefinanciering.

Meldingsplicht
Als we vermoeden dat er sprake kan zijn van witwassen of financiering van terrorisme (een ‘ongebruikelijke transactie’) bij een cliënt, moeten we hiervan melding maken bij de Financial Unit Nederland (FIU-NL), voorheen het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

Als ongebruikelijke transacties melden wij aan:

contante betalingen van minimaal 15.000 euro van de cliënt aan Gerrits Accountants & Adviseurs of door tussenkomst van Gerrits Accountants & Adviseurs aan een derde;
transacties bij de cliënt die vermoedelijk verband houden met witwassen of financiering van terrorisme.
Het FIU-NL beoordeelt vervolgens of een gemelde ongebruikelijke transactie moet worden doorgemeld naar opsporingsinstanties of veiligheidsdiensten voor nader onderzoek. Wij mogen de cliënt niet informeren over een melding.

* Een UBO is:

een natuurlijke persoon die een belang houdt van meer dan 25 procent van het kapitaalbelang of meer dan 25 procent van de stemrechten van de aandeelhoudersvergadering kan uitoefenen van een rechtspersoon anders dan een stichting, dan wel op andere wijze feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in deze rechtspersoon, tenzij deze rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten;
begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een stichting of een trust als bedoeld in het Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts of degene die bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een stichting of een trust.

[Terug naar overzicht]


Vangnet voor onverzekerde zelfstandigen

Zelfstandige ondernemers zonder reguliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, kunnen zich tussen 1 november 2008 en 1 februari 2009 aanmelden voor een zogenaamde vangnetregeling. Met behulp van de regeling kunnen de ondernemers zich alsnog verzekeren tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid.
Vandaag starten de initiatiefnemers van de regeling (de ministeries van Economische en Sociale Zaken en het Verbond van Verzekeraars) in samenwerking met CNV Zelfstandigen, FNV Zelfstandigen en PZO een voorlichtingscampagne om bekendheid te geven aan de openstelling van de regeling.

Niet alleen voor starters
De regeling is in principe bedoeld voor startende ondernemers die na het opzetten van hun bedrijf zijn geweigerd voor een reguliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Omdat uit onderzoek is gebleken dat maar liefst de helft van alle zelfstandigen zich niet heeft verzekerd tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid, is besloten de regeling tot 1 februari 2009 ook open te stellen voor bestaande zelfstandigen die zich moeilijk of niet kunnen verzekeren. Daarna blijft de regeling alleen nog toegankelijk voor startende ondernemers.

Offerte opvragen
Ondernemers die in aanmerking willen komen voor de regeling moeten tussen 1 november 2008 en 1 februari 2009 een offerte opvragen voor een reguliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Als zij gedurende die periode niet worden toegelaten tot die verzekering, kunnen zij zich bij de desbetreffende verzekeraar melden voor de vangnetregeling.

[Terug naar overzicht]

Eerstedagsmelding toch afgeschaft per 1 januari 2009

Er is een wijziging voorgesteld op het Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2009. Door de wijziging wordt de Eerstedagsmelding (EDM) voor de meeste werkgevers toch afgeschaft per 1 januari 2009.

De inspecteur kan nog wel aan een werkgever de verplichting opleggen om gedurende maximaal vijf jaar EDM's in te dienen. De werkgever ontvangt dan een beschikking van de inspecteur waarin de verplichting wordt opgelegd. In de wet wordt opgenomen in welke gevallen de inspecteur de verplichting op mag leggen.

Het gaat kort gezegd om situaties waarin aan de werkgever boeten zijn opgelegd of strafvervolging is ingesteld voor het niet betalen van loonheffingen, het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, het niet in de loonadministratie opnemen van werknemers of het niet inschrijven in het handelsregister.

De verwachting is dat door dit wetsvoorstel het aantal EDM's van zes miljoen per jaar naar ongeveer 90.000 EDM's per jaar zal dalen.

[Terug naar overzicht]

De vergeten echtgenoot

We herinneren ons nog goed, dat éénmans-bv’s vanaf 1 januari 2009 geen loonaangifte meer zouden hoeven doen voor de directeur-grootaandeelhouder (dga). Het zou te ver voeren om nu in te gaan op de redenen waarom die regeling uiteindelijk in het nu bij de Tweede Kamer voorliggende Wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2009 (OFM 2009) wordt ingetrokken. Opvallend is echter wel, dat in de maatregelen rond de beëindiging van de inhoudingsplicht voor de dga geen rekening werd gehouden met de meewerkende echtgenoot van de dga. De inhoudingsplicht zou dus niet beëindigd worden als op de loonlijst van de bv niet alleen de dga, maar ook de meewerkende echtgenoot stond. Maar ook in de nu voorgestelde regeling is de meewerkende echtgenoot vergeten. Wat is het geval?

Het Wetsvoorstel OFM 2009 voorziet in een zeer praktische regeling, die het in holdingsituaties mogelijk maakt de dga ‘te verlonen’ vanuit de holding. In de praktijk is dat heel gebruikelijk. Wat is er nu zo praktisch aan de voorgestelde regeling? Dat de meeste dga’s niet meer van de Belastingdienst een beschikking hoeven te ontvangen waarin wordt goedgekeurd, dat de holding het loon uitbetaalt en de loonheffingen aan de Belastingdienst betaalt. Voor zo’n beschikking moeten de dga, de holding en de werk-bv nu nog formeel een verzoek indienen bij de Belastingdienst. In de praktijk verzoekt (vrijwel) niemand, ook niet belastingadviseurs, om toepassing van deze zogenoemde doorbetaaldloonregeling.

Maar als de echtgenoot op de loonlijst van de holding staat, dan is het zeer de vraag of de holding zonder goedkeuring van de Belastingdienst de loonheffingen voor de meewerkende echtgenoot mag afdragen. De echtgenoot moet daarvoor een aanmerkelijk belang in de holding en de werk-bv hebben. In de praktijk komt dat meestal neer op de vraag of de aandelen in de holding (die meestal op naam staan van de dga), behoren tot een huwelijksgoederengemeenschap tussen de dga en zijn echtgenoot. Behoren de aandelen tot een huwelijksgoederengemeenschap, dan hoeft voor de echtgenoot geen beschikking voor verloning uit de holding te worden aangevraagd. Maar als de aandelen niet in een huwelijksgoederengemeenschap vallen, dan moet voor de echtgenoot eerst worden verzocht om de zogenaamde toepassing van de doorbetaaldloonregeling.

Conclusie:
Het huwelijksvermogensrecht bepaalt of de meewerkende echtgenoot op de loonlijst van de holding moet verzoeken om toepassing van de doorbetaaldloonregeling. Voor de praktijk zal dat vaak te veel gevraagd zijn. Waarom ook zou het huwelijksvermogensrecht van belang zijn voor de loonaangifte? Waarom moet voor de meewerkende echtgenoot (soms) wel worden verzocht om de loonheffingen door de holding te laten betalen en voor de dga zelf niet? En tot slot de vraag die wij ook bij het ministerie van Financiën onder de aandacht zullen brengen: kan dat nou niet anders?

(Bron College Belastingadviseurs)

[Terug naar overzicht]

Kabinet introduceert premiepensioeninstelling

Minister Bos van Financiën en minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben besloten met een wijziging van de Wet op het financieel toezicht een nieuwe financiële instelling, de premiepensioeninstelling (PPI) te introduceren.

Met de PPI wil de regering tegemoet komen aan de behoefte van marktpartijen om in te kunnen spelen op recente ontwikkelingen binnen de Europese Unie op het gebied van de uitvoering van bepaalde pensioenregelingen.

Het belang van dit soort regelingen neemt in Europa toe. De nieuwe financiële instelling moet bijdragen aan het vestigingsklimaat van Nederland en de concurrentiekracht van Nederland als pensioenland.

De PPI legt zich toe op zogeheten premieregelingen.

De PPI kan pensioenregelingen uitvoeren waarbij de PPI het risico zelf niet draagt.
De PPI bouwt het pensioenvermogen op en belegt dit vermogen op een prudente en professionele wijze.
De PPI is onder dezelfde voorwaarden vrijgesteld van de vennootschapsbelasting als pensioenfondsen.
De PPI is een relatief eenvoudig vehikel dat efficiënt en transparant op de Europese markt kan opereren, dat volledig aan de minimumeisen van de Europese richtlijn pensioenfondsen (IORP) voldoet.
(Bron: Ministerie van Financien)

[Terug naar overzicht]

Ook niet renderend vermogen aangeven in box 3

In box 3 van de inkomstenbelasting wordt belasting geheven over een forfaitair rendement van 4% . Het werkelijke rendement doet daarbij niet terzake. Ook als een vermogensbestanddeel in werkelijkheid geen rendement oplevert, moet het vermogensbestanddeel worden aangegeven en wordt voor de belastingheffing uitgegaan van een rendement van 4%. Dit heeft de Hoge Raad onlangs bevestigd.

Spaartegoeden en beleggingen moeten in box 3 van de inkomstenbelasting worden aangegeven. Hetzelfde geldt voor vakantiewoningen en ter belegging aangehouden onroerende zaken. Eventuele tegenover dat vermogen staande schulden, mogen op het vermogen in box 3 in mindering worden gebracht. In box 3 wordt vervolgens een forfaitair rendement van 4% in aanmerking genomen, dat wordt belast tegen 30%.

Voorbeeld
Stel u heeft een vakantiewoning in Zeeland. De gemiddelde waarde van die woning in 2008 is € 250.000. U heeft die woning deels betaald door een lening aan te gaan van € 100.000, waarop u nog niet heeft afgelost. Uw netto vermogen bedraagt dan € 150.000. Daarover wordt 4% forfaitair rendement in aanmerking genomen, ofwel € 6.000. Daarover betaalt u 30% inkomstenbelasting: € 1.800. (Hierbij is eenvoudigsheidshalve geen rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen.)

Onafhankelijk van het daadwerkelijke rendement op de vakantiewoning betaalt u dus € 1.800 inkomstenbelasting. Dus ook als u de vakantiewoning niet verhuurt en dus geen huur ontvangt. Volgens de rechter heeft de wetgever bewust voor een heffing op basis van een forfaitair rendement gekozen. Daarbij is niet relevant of daadwerkelijk rendement wordt behaald. Ook als geen rendement wordt behaald op een vermogensbestanddeel, moet dat vermogensbestanddeel in box 3 worden aangegeven.

 

Inspecteur kan restaurantpersoneel niet zo maar hoger inschalen voor toepassing fooienregeling

Fooien van derden (klanten) kunnen voor de belasting- en premieheffing belast zijn, maar zijn dat niet altijd. Er geldt een wettelijke regeling die aangeeft in welke gevallen de fooien wel belast zijn. Dat is het geval als de werkgever bij het vaststellen van de hoogte van het loon met fooien rekening heeft gehouden. Voor de horecabranche geldt zelfs een wetsbepaling, die aangeeft in welke gevallen en tot welk bedrag fooien voor de loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen) in aanmerking moeten worden genomen. Dat is het geval als:
(a) een werknemer minder verdient dan het cao-loon (de werkgever is dan loonheffing verschuldigd over het verschil tussen het cao-loon en het overeengekomen loon) en,
(b) de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan fooien op een hoger bedrag schat. In dat geval moet van het geschatte bedrag worden uitgegaan.

Voor fooien in andere gevallen bestaat geen normeringsregeling. Dit betekent echter niet dat deze fooien onbelast zijn. Fooien die hun oorzaak vinden in de dienstbetrekking zijn in ieder geval belastbare inkomsten voor de inkomstenbelasting. Fooien zijn alleen onbelast voor de loonbelasting en premieheffing als de gever daarmee niet aan de ontvanger een beloning voor de geleverde prestatie wil geven, maar hij dit uitsluitend doet uit andere overwegingen, bijvoorbeeld uit sympathie voor de persoon.

Rechtbank Haarlem heeft onlangs een feitelijke uitspraak gedaan over de vraag of een restauranteigenaar zijn bedienend personeel minder uitbetaalde dan het cao-loon waardoor de fooienregeling van toepassing zou zijn. De inspecteur had de restauranteigenaar een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de jaren 2003 en 2004 omdat hij van mening was dat de restauranteigenaar ten onrechte geen rekening had gehouden met het voor die jaren nog geldende Fooienbesluit. (Per 1 januari 2005 is het Fooienbesluit vervallen en de inhoud van deze regeling in een uitvoeringsregeling van de Wet op de loonbelasting opgenomen.) De inspecteur had het restaurantpersoneel namelijk ingeschaald als ‘bedienend personeel’ dat een hoger cao-loon heeft dan een ‘hulp bediening’.

De rechtbank ging te rade bij het Handboek Referentiefuncties voor de Bedrijfstak Horeca en bekeek de functieomschrijving voor ‘bedienend personeel’ en ‘hulp bediening’. Volgens de inhoud van de feitelijke werkzaamheden van het restaurantpersoneel, kwam de rechtbank tot het oordeel, dat zij konden worden aangemerkt als hulp bediening met het voor hen geldende lagere cao-loon.

De rechtbank vond voor zijn oordeel van belang dat de restauranteigenaar vanuit zijn open keuken voortdurend toezicht hield op het restaurantpersoneel in de zaak en persoonlijk contact hield met de klanten. Het restaurantpersoneel bestond uit zes studenten die part time of op afroepbasis in het restaurant werkzaam waren. Ook vond de rechtbank van belang dat het UWV over het naheffingstijdvak had afgezien om premies werknemersverzekeringen na te heffen. De rechtbank merkte voorts nog op dat een werkgever bij de bepaling van het (norm)loon van zijn werknemers ook een zekere beoordelingsvrijheid heeft. Een inspecteur kan dus niet zo maar op de stoel van de ondernemer zitten.

De rechtbank kwam tot het oordeel dat de inspecteur het restaurantpersoneel ten onrechte hoger ingeschaald als bedienend personeel en vernietigde daarop de naheffingsaanslag.

Opmerking
De fooienregeling horeca geldt sinds 25 juni 2005 niet uitsluitend meer voor bedienend personeel maar ook voor keukenpersoneel.

Bron: Rechtbank Haarlem, 3-11-2008, nr. 08/3988 (gepubliceerd 10-11-2008).

[Terug naar overzicht]


De WBSO-regeling ter bevordering van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) wordt nog aantrekkelijker voor ondernemers

De WBSO-regeling ter bevordering van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) wordt nog aantrekkelijker voor ondernemers. Vanaf 2009 hoeven ondernemers namelijk niet meer zelf de berekeningen voor S&O-loon uit te voeren. Die berekeningen worden overgenomen door uitvoeringsorganisatie SenterNovem.
Ondernemers hoeven alleen nog eenmalig de burgerservicenummers van hun medewerkers aan SenterNovem te verstrekken, en dit per medewerker die S&O-werkzaamheden heeft verricht in 2007. Op basis daarvan wordt het S&O-uurloon berekend dat het hele kalenderjaar 2009 geldt.

Het doel van de WBSO-regeling is het stimuleren van speur- en ontwikkelingswerk door bedrijven. Subsidiabel zijn haalbaarheidsstudies, onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten alsmede technisch onderzoek. De bijdrage bestaat uit een korting op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen of een verhoging van de zelfstandigenaftrek.

De definitie voor S&O wordt per 1 januari 2009 verruimd. Deze verruiming ziet toe op de ontwikkeling van technische nieuwe programmatuur waarbij gebruik wordt gemaakt van al bestaande onderdelen.

Kortingspercentages

Voor ondernemingen met werknemers: De hoogte van de korting is 42 procent van de eerste 110.000 euro van de totale S&O-loonsom en 14 procent van de resterende S&O-loonsom.

Een zelfstandige mag 11.436 EUR (2006: 11.255 EUR) per kalenderjaar als aftrek S&O opvoeren. Een starter mag 17.155 euro (2006: 16.883 EUR) opvoeren.  

[Terug naar overzicht

Koopsompolis in 2008 nog fiscaal aftrekbaar

Met ingang van 2009 verdwijnt de aftrekregeling voor buitengewone uitgaven. De kosten van een begrafenis, crematie of uitvaartverzekering zijn dan niet langer fiscaal aftrekbaar.
Met een koopsompolis kunnen de volledige kosten van een uitvaart worden afgedekt. Op deze manier zijn alle persoonlijke uitvaartwensen verzekerd en worden nabestaanden behoed voor onvoorziene kosten. Er zijn twee mogelijkheden om gebruik te maken van de nu nog geldende fiscale aftrekregeling. De ene is het afsluiten van een nieuwe of aanvullende uitvaartverzekering en de premies of koopsom daarvan als aftrekpost op te voeren. De andere is reeds gemaakte kosten voor een begrafenis of crematie van een echtgenoot, fiscale partner of kinderen tot 27 jaar alsnog op te voeren. In beide gevallen moet het totaal van deze buitengewone uitgaven hoger zijn dan 1,65% van het drempelinkomen.

[Terug naar overzicht]

Elektronisch Eurovignet ingevoerd

Per 1 oktober 2008 wordt het elektronisch Eurovignet ingevoerd in Nederland, België, Luxemburg, Denemarken en Zweden.

Het elektronische Eurovignet vervangt het papieren vignet dat tot 1 oktober in zware vrachtwagens aanwezig moest zijn.

Het vignet kan vanaf 1 oktober alleen gekocht worden via internet of via een terminal bij een verkooppunt. Na de aankoop kan de weg direct worden gebruikt.

Om aangifte te doen via internet moet de aanvrager een overeenkomst sluiten met de belastingdienst. Gebruik hiervoor het formulier "Verzoek Belasting zware motorrijtuigen Internet-aangifteovereenkomst". U kunt dit formulier downloaden.Hebt u al een internetovereenkomst, dan kunt u vanaf 1 oktober 2008 aangifte doen via het aangifteloket op internet.

Om het kopen van het elektronische vignet mogelijk te maken, is www.belastingdienst.nl op een aantal punten aangepast. U kunt nu op internet een overzicht zien van de voertuigen waarvoor u aangifte heeft gedaan. In dit overzicht ziet u ook welk bedrag maandelijks automatisch door de Belastingdienst wordt geïncasseerd. De papierstroom tussen Belastingdienst en ondernemer is hiermee verdwenen.

Wat wijzigt er verder per 1 oktober?

Bij controle worden voertuigen niet meer staande gehouden. De controle-ambtenaren kunnen namelijk alle boekingen via een mobiele elektronische databank raadplegen. Dit geldt in het gehele vignetgebied.
De bijzondere regeling voor teruggaaf wijzigt: Teruggaaf wordt ook verleend voor Eurovignetboekingen met een looptijd korter dan een jaar, echter met een minimum van een maand.
van de invoering is minder administratieve lasten voor het bedrijfsleven en efficiëntere handhaving door de overheid. Overigens werd op 1 januari 2008 de papieren aangifte al afgeschaft. Per 1 september 2008 is ook de faxaangifte stopgezet.

[Terug naar overzicht]

Toepassing Autodealerregeling 2007 verlengd tot 1 januari 2009

Op uitdrukkelijk verzoek van vertegenwoordigers van de autodealerbranche is besloten dat de Autodealerregeling 2007 nog tot 1 januari 2009 mag worden gebruikt.

Tot 1 januari 2009 bestaan de Autodealerregeling 2007 en de nieuwe manier om het voordeel van het privégebruik te bepalen naast elkaar. Deze nieuwe methode staat beschreven in de Handreiking bijtelling privégebruik auto voor de autobranche.

Dat betekent het volgende:

Werkgevers die nu gebruikmaken van de 'Autodealerregeling 2007', mogen dat tot 1 januari 2009 blijven doen. Op die datum vervalt de regeling.
Alle werkgevers in de autobranche mogen het voordeel van het privégebruik nu al op de nieuwe manier bepalen.
Eerder was aangekondigd dat de Autodealerregeling 2007 op 1 oktober 2008 zou vervallen

[Terug naar overzicht]

KvK schrijft nieuwe inschrijvers aan

Alle ondernemingen en rechtspersonen in Nederland moeten eind 2009 zijn ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dat schrijft de nieuwe Handelsregisterwet voor, die op 1 juli 2008 is ingevoerd. Het Handelsregister wordt de basisregistratie voor alle ondernemingen en rechtspersonen in Nederland.

Inschrijven is ook verplicht voor degenen die nog geen inschrijfplicht hadden, zoals:

vrije beroepsbeoefenaren
ondernemingen in de landbouw
kerkgenootschappen
verenigingen van eigenaren
Half september is begonnen om ondernemers en rechtspersonen die nog niet zijn ingeschreven in het Handelsregister te benaderen. Er is een proefmailing verzonden naar een bestand van maatschappen en eenmanszaken uit het notariaat, belastingadviseurs en belastingconsulenten.

De overige ongeveer 33.000 financieel/juridische en medische vrije beroepsbeoefenaren ontvangen tussen eind oktober en half december een brief. Het gaat dan om bijvoorbeeld accountants, advocaten en artsen.

Begin 2009 start het aanschrijven van maatschappen en eenmanszaken in de landbouw en de creatieve sector. Eind 2009 moeten alle ondernemingen in het Handelsregister zijn ingeschreven.

(Bron: Belastingdienst)

[Terug naar overzicht]


Nieuwe fiscale regeling voor aftrek ziektekosten bekendgemaakt

Onlangs is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten ingediend. Dit wetsvoorstel bevat een tegemoetkoming op basis van het zorggebruik voor chronisch zieken en gehandicapten. Het wetsvoorstel bevat ook een nieuwe fiscale aftrekregeling voor specifieke zorgkosten van chronisch zieken en gehandicapten. De bestaande regeling in de inkomstenbelasting voor de aftrek van buitengewone uitgaven in verband met ziekte, invaliditeit en bevalling zal per 1 januari 2009 vervallen. In het Belastingplan 2008 was de afschaffing van de bestaande regeling al aangekondigd.

De bestaande fiscale aftrekregeling blijkt op diverse punten niet optimaal te functioneren. De bestaande regeling blijkt in aanzienlijk mate niet te worden gebruikt door de groep voor wie de regeling is bedoeld en wel veel te worden gebruikt door andere groepen dan chronisch zieken en gehandicapten.

Het nieuwe wetsvoorstel beoogt chronisch zieken en gehandicapten die worden geconfronteerd met meerkosten door problemen met hun gezondheid, een tegemoetkoming te verschaffen voor deze kosten. Bij deze meerkosten gaat het niet om kosten van zorg waarvoor zij op grond van de AWBZ of de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn verzekerd. Meerkosten zijn kosten die samenhangen met de gezondheidsproblemen, zoals hogere stookkosten, vervoerskosten voor geneeskundige hulp en extra kosten voor kleding of beddengoed. De voorgestelde tegemoetkoming is vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting en beïnvloedt ook niet de hoogte van de aftrekposten binnen de voorgestelde fiscale regeling voor specifieke zorgkosten.

De nieuwe regeling in de inkomstenbelasting voor uitgaven voor specifieke zorgkosten sluit voor een deel aan bij de in het jaar 2008 geldende regeling voor buitengewone uitgaven. De nieuwe regeling is scherper gericht op de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten. Daardoor zijn in vergelijking met de huidige buitengewone uitgavenregeling de algemene uitgaven, zoals uitgaven voor aanvullende verzekering, adoptie, overlijden en bevalling, niet meer aftrekbaar. Net als de huidige buitengewone uitgavenregeling kent ook de nieuwe fiscale regeling inkomensafhankelijke drempels.

De aftrek van de eigen bijdragen voor de AWBZ en de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt geschrapt, maar hiervoor in de plaats komt een verlaging van de eigen bijdrage. Slechts specifieke in de wet genoemde uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan en die bovendien voor verzekeringsplichtigen niet onder de dekking van de zorgverzekering vallen, komen in aanmerking voor aftrek als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Tot dergelijke uitgaven behoren onder meer uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp (met uitzondering van ooglaserbehandelingen), vervoer, farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts, andere hulpmiddelen (met uitzondering van brillen, contactlenzen etc.), extra gezinshulp, een op medisch voorschrift gehouden dieet, extra kleding en beddengoed en reizen in verband met ziekenbezoek. In de huidige buitengewone uitgavenregeling is een vermenigvuldigingsfactor opgenomen, waardoor de uitgaven feitelijk hoger uitkomen en daarmee ook de aftrek hoger wordt. In de nieuwe regeling zal de verhogingsfactor alleen voor 65-plussers worden opgenomen. De huidige vermenigvuldigingsfactor voor personen jonger dan 65 jaar gaat verdwijnen, maar als compensatie daarvoor komt er een overgangsregeling die in twee jaar wordt afgebouwd tot nihil.

De bestaande forfaitaire aftrekposten voor ouderen en gehandicapten komen eveneens te vervallen. Daarvoor in de plaats komt een compensatie voor ouderen van netto circa € 150 op jaarbasis en voor arbeidsongeschikten van netto € 225 op jaarbasis.

Ook onder de nieuwe fiscale regeling kunnen zich ‘verzilveringsproblemen’ voordoen, dat wil zeggen dat wel recht bestaat op aftrek maar te weinig inkomstenbelasting is verschuldigd om de aftrek te gelde te maken. Het wetsvoorstel bevat daarom een nieuwe - niet fiscale - tegemoetkomingsregeling voor het verzilveringsprobleem. Deze regeling zal in de loop van 2009 worden vastgesteld.

Het vervallen van de aftrek van buitengewone uitgaven in verband met ziekte, invaliditeit en bevalling per 1 januari 2009 heeft invloed op diverse inkomensafhankelijke toeslagen, zoals de huurtoeslag, zorgtoeslag, kindertoeslag en kinderopvangtoeslag. Immers, door het vervallen van aftrekposten gaat het verzamelinkomen als aangrijpingspunt voor de diverse toeslagen omhoog. De huurtoeslag kent een verhoudingsgewijs steil afbouwtraject en treft ouderen het meest. Daarom bevat het wetsvoorstel voor deze groep een compensatiemaatregel om het verlies van huurtoeslag te dempen.Het kabinet heeft toegezegd zich sterk te zullen maken voor invoering van deze compensatiemaatregel per 1 januari 2009.

Bron: Tweede Kamer, 16-9-2008, 31706, nrs 1-6.

[Terug naar overzicht]

Starter met meerdere projecten: geen ondernemer


Een ondernemende belastingplichtige die druk doende is met uiteenlopende bedrijfsmatige projecten, moet er rekening mee houden dat die projecten hem niet altijd de fiscale status van ondernemer opleveren. Om ondernemer te zijn, moet hij een onderneming drijven. De optelsom van de verschillende projecten kan een onderneming vormen, maar dan is wel vereist dat er tussen de verschillende projecten voldoende samenhang bestaat.

A was druk doende met diverse bedrijfsmatige projecten. Hij gaf beleggingsadviezen op het internet, hij ontwikkelde een computerspel, hij bemiddelde bij reclame en probeerde als musicus beroemd te worden. Die activiteiten leverden A per saldo een positief resultaat op; per afzonderlijke activiteit liepen de uitkomsten sterk uiteen, van positief tot altijd negatief.
A claimde in zijn aangifte de status van ondernemer met de bijbehorende fiscale aftrekposten. De inspecteur accepteerde dat niet. De verschillende bedrijfsmatige activiteiten konden niet als één geheel, als een onderneming worden aangemerkt. A dreef geen onderneming en was derhalve ook geen ondernemer voor de fiscus: hij had geen recht op de diverse aftrekposten voor ondernemers.

Hof Amsterdam was het daarmee eens. De rechter besliste dat de verschillende activiteiten onderling onvoldoende samenhang hadden om als één geheel, als een onderneming, aangemerkt te kunnen worden. De diverse activiteiten vergden geheel verschillende vaardigheden, en waren naar hun aard voor volstrekt verschillende afnemers en cliënten bedoeld.

Dit is een vervelende uitspraak voor starters. Met het opstarten van meerdere projecten, van uiteenlopende aard en voor verschillende opdrachtgevers of cliënten, stijgt de kans om als ondernemer te slagen. Maar bij de fiscus pakt die aanpak averechts uit: hoe groter de spreiding van activiteiten, des te kleiner de kans dat het geheel van activiteiten een onderneming is. Geen onderneming betekent het mislopen van de status van (fiscaal) ondernemer, en dat kost de ondernemersaftrek.

(Bron: Hof Amsterdam 12 maart 2008 06/00488, Fida 20082418)

[Terug naar overzicht]

Vastgoed: gestegen restwaarde, verplichte herziening afschrijving


Bij de afschrijving op onroerende zaken moet niet alleen rekening worden gehouden met de afschrijvingsbeperking tot op 50% of 100% van de WOZ-waarde, de bodemwaarde voor panden in eigen gebruik of ter belegging, maar ook met de restwaarde van het vastgoed. Dat is de waarde die het vastgoed naar verwachting nog zal hebben aan het einde van de gebruiksperiode. Bij vastgoed is het vaststellen van die restwaarde een lastig probleem. Dat komt omdat pand én ondergrond voor de belastingheffing als één bedrijfsmiddel worden aangemerkt. Daardoor moet de waarde van de (niet afschrijfbare) ondergrond per definitie tot de restwaarde van het vastgoed gerekend worden. Die ondergrond stijgt vrijwel altijd in waarde. De Hoge Raad heeft in 2007 beslist dat die restwaarde bij de aanvang van de afschrijving moet worden vastgesteld en niet bijgesteld hoeft te worden – en de afschrijving in de komende jaren ongewijzigd kan blijven – tenzij er sprake is van een blijvende en aanmerkelijke stijging van de restwaarde. Hof Arnhem heeft recent beslist dat van zo’n aanmerkelijke waardestijging pas sprake is als de ondergrond met 50% of meer in waarde is gestegen ten opzichte van de kostprijs. Financiën trekt die grens een stuk scherper en bepleit een herziening van de afschrijving bij een waardestijging van 30% of meer.

Beperkte afschrijving bij waardestijging
BV X exploiteerde meerdere onroerende zaken. De BV verhuurde enkele kantoorpanden aan derden en schreef op die panden jaarlijks 3,5% tot 4% van de kostprijs af. Bij die afschrijving hield de BV geen rekening met een restwaarde. De inspecteur stelde dat de afschrijving op de verhuurde kantoorpanden met ingang van 1998 moest worden beperkt vanwege de sterk gestegen waarde van de ondergrond. BV X vocht de correctie aan bij Hof Arnhem.

Dat Hof verwees naar het arrest van augustus 2007 van de Hoge Raad, waarin beslist is dat een herziening van de afschrijving pas aan de orde kan komen als er sprake is van een aanmerkelijke verandering van de restwaarde, die redelijkerwijs als blijvend kan worden beschouwd. Het Hof besliste dat uit de door de inspecteur aangevoerde waardestijging van de ondergrond van de panden in de laatste jaren niet kon worden afgeleid dat die stijging als blijvend kon worden aangemerkt. Bij één pand vond het Hof dat de inspecteur de afschrijving terecht had aangepast: bij dat pand was de waarde van de ondergrond met 159% gestegen ten opzichte van de kostprijs. Die waardestijging was volgens het Hof aanmerkelijk en kon redelijkerwijs als blijvend worden beschouwd. Voor de overige panden moest een herziening van de afschrijving achterwege blijven. Hof Arnhem besliste dat een aanpassing van de afschrijving wegens een gestegen restwaarde van de ondergrond pas aan de orde kan komen als die restwaarde met tenminste 50% in waarde is gestegen. Is dat het geval, dan moet nog blijken dat die waardestijging blijvend is.

Grens bij 30% stijging of meer
De staatssecretaris van Financiën is niet in cassatie gegaan tegen deze uitspraak. In zijn onderschrift bij de uitspraak verwerpt hij de opvatting van Hof Arnhem dat pas bij een waardestijging van 50% sprake is van een aanmerkelijke waardestijging. De staatssecretaris trekt die grens bij een waardestijging van 30% of meer. Inspecteurs moeten de uitspraak van Hof Arnhem op dit punt dan ook niet als uitgangspunt aanhouden.

(Bron: Financiën 20 mei 2008 DGB2008-2666, Fida 20082095)

[Terug naar overzicht]

Lager tarief vennootschapsbelasting in 2008

In het Belastingplan 2009 heeft het kabinet voorgesteld om het tarief van de vennootschapsbelasting in 2008 (dit jaar dus) eenmalig te verlagen.

Het tarief van de vennootschapsbelasting kent drie schijven. De eerste twee schijven worden de MKB-schijven genoemd, omdat de belastingheffing van BV's in het MKB-segment in veel gevallen beperkt blijft tot de eerste twee schijven. Het tarief is als volgt:

Belastbaar bedrag /Tarief
€ 0 - € 40.000 20,0%
€ 40.000 - € 200.000 23,0%
€ 200.000 en meer 25,5%


Dit wordt ook het tarief in 2009. Het kabinet wil in 2008 de eerste twee schijven (de MKB-schijven) echter samenvoegen en verlengen. Het tarief van 2008 wordt dan:

Belastbaar bedrag / Tarief
€ 0 - € 250.000 20,0%
€ 250.000 en meer 25,5%


De eenmalige tariefsverlaging financiert het kabinet uit het bedrag dat in 2008 was gereserveerd voor de groepsrentebox (een fiscaal voordelige regeling voor leningen binnen een concern). De groepsrentebox is (nog) niet ingevoerd omdat de Europese Commissie nog geen goedkeuring heeft gegeven voor die regeling. Als die goedkeuring er helemaal niet komt, is het denkbaar dat de eenmalige tariefsverlaging een definitief karakter krijgt.

Dat laatste is overigens koffiedik kijken. Dat de eenmalige tariefsverlaging ongeschonden door het parlement wordt overgenomen, lijkt echter waarschijnlijk. Ondernemers met een belastbaar bedrag tot € 250.000 zouden daar gebruik van kunnen maken door te kijken in hoeverre zij de mogelijkheid hebben om winst die eigenlijk voor 2009 was begroot, nog in 2008 te nemen en te laten belasten. Daarnaast is het fiscaal interessant om te kijken in hoeverre kosten kunnen worden uitgesteld tot 2009.

[Terug naar overzicht]

Onbelast agio uitkeren aan de aandeelhouder

Een NV of BV waarvan het eigen vermogen deels bestaat uit agio, kan er voor kiezen om dat agio uit te keren aan de aandeelhouder(s). In sommige gevallen kan dat zonder belastingheffing. Dat moet dan wel zorgvuldig gebeuren, zo leert een recente uitspraak van de Hoge Raad.

Als agio wordt terugbetaald aan een andere BV of NV, valt de uitkering over het algemeen onder de deelnemingsvrijstelling. Er is dan geen belasting verschuldigd over de uitkering.

In de praktijk komt het echter regelmatig voor dat agio wordt terugbetaald aan een aandeelhouder/natuurlijk persoon met een belang van tenminste 5% (bijvoorbeeld de directeur-grootaandeelhouder). De aandeelhouder moet dan 25% inkomstenbelasting betalen (onder verrekening van 15% in te houden dividendbelasting). Aan een dergelijke aandeelhouder kan echter tot de zogenoemde verkrijgingsprijs onbelast agio worden uitgekeerd. De verkrijgingsprijs is het bedrag dat de aandeelhouder op de aandelen heeft gestort of voor de aandelen heeft betaald.

Het is dan wel belangrijk dat het agio eerst wordt omgezet in aandelenkapitaal. Daarna moet de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) besluiten tot teruggaaf van aandelenkapitaal en moet de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging worden verminderd. Pas dan kan de uitkering aan de aandeelhouder onbelast plaatsvinden. Deze voorwaarden staan in de wet en moeten strikt worden toegepast, aldus de Hoge Raad op 12 september 2008. Als de voorwaarden niet strikt worden nageleefd, is de terugbetaling van het agio zondermeer belast.

[Terug naar overzicht]

Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang gewijzigd

De maximumuurprijs voor dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang wordt in 2009 niet geïndexeerd. Dit betekent dat de maximumuurprijs voor 2009 net als in 2008 € 6,10 bedraagt. Verder heeft het kabinet besloten dat alle partijen een bijdrage moeten leveren aan de extra maatregelen die noodzakelijk zijn om het kinderopvangstelsel structureel betaalbaar te houden

Proportionele verhoging

Bij de aanpassing van de inkomens- en de percentagetabellen is gekozen voor een even grote proportionele verhoging van de kosten voor alle ouders. Concreet betekent dit dat ouders in 2009 29% meer gaan betalen ten opzichte van de situatie in 2008. Dat wil zeggen dat een ouder die nu bijvoorbeeld 21 cent per uur betaalt, in de nieuwe situatie 27 cent zal betalen. Een ouder die nu € 1 per uur betaalt, betaalt in de nieuwe situatie € 1,29 per uur etcetera.
2e kind

Daarnaast wordt de tabel voor het 2e en volgende kind aangepast. In 2008 is in de tabel de toeslag voor het 2e en volgende kind nooit kleiner dan 90,7% van de kosten. De tabel is voor 2009 zodanig aangepast, dat de toeslag voor het 2e en volgende kind afloopt naar 85%.

Dit alles is vastgelegd in het gewijzigde Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang. De aangebrachte wijzigingen zorgen voor een evenwichtige verdeling van het koopkrachtbeleid.

[Terug naar overzicht]

Fiscale ondersteuning pensioenopbouw afgetopt

Er wordt een maximum van 185.000 euro gesteld aan het pensioengevend loon voor fiscaal gefacilieerde pensioenregelingen voor werknemers. De maatregel houdt in dat de zogenaamde omkeerregel (aanspraken vrijgesteld, uitkeringen belast) niet langer van toepassing is boven de 185.000 euro.
De pensioenopbouw boven de grens wordt dan hetzelfde behandeld als ander vermogen. Het blijft mogelijk om een deel van het inkomen boven die grens opzij te zetten, maar zonder fiscale ondersteuning.
De maatregel treedt in werking op 1 januari 2009. Bestaande pensioenaanspraken boven de 185.000 euro van voor deze datum blijven gerespecteerd.

[Terug naar overzicht]

Belastingplan 2009: aanpassing btw-vrijstelling medische diensten

Gezondheidskundige diensten zijn slechts vrijgesteld van btw wanneer deze worden verricht door zorgverleners met een beroepsopleiding van voldoende kwaliteitsniveau. Op basis van de Europese regels moeten lidstaten dit kwaliteitsniveau verzekeren, bijvoorbeeld door voor de toepassing van de vrijstelling bepaalde zorgverleners met de vereiste beroepskwalificaties aan te wijzen.

Met ingang van 1 januari 2009 zal als gevolg van een wetswijziging een aantal medische diensten die nu zijn vrijgesteld, belast zijn met btw. Vanaf die datum is de vrijstelling alleen nog van toepassing op prestaties op het vlak van de gezondheidskundige verzorging van de mens, die worden verricht door bepaalde beroepsbeoefenaren. Deze beroepsbeoefenaren moeten een opleiding hebben voltooid, die is gericht op die specifieke handelingen en waarvan de (examen)eisen zijn neergelegd in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Als aan deze eisen is voldaan, zijn die specifieke handelingen vrijgesteld van btw.

Er wordt bij de Wet BIG aangesloten omdat, in de visie van het ministerie van Financiën, alleen in deze wet criteria voor de beoordeling van het kwaliteitsniveau beschikbaar zijn. De recente ontwikkelingen in de Nederlandse jurisprudentie, die hebben geleid tot verruiming van de reikwijdte van de btw-vrijstelling, waren nooit beoogd door de wetgever en worden met deze herijking herzien.

Wat betekent dit voor u?
Concreet betekent dit dat per 1 januari 2009 bijvoorbeeld een huisarts in de nieuwe opzet niet langer is vrijgesteld van btw voor handelingen op het gebied van chiropraxie, osteopathie, acupunctuur, homeopathie en andere alternatieve geneeswijzen.

Daarnaast zijn ook de verrichtingen door niet BIG-geregistreerde psychologen niet langer vrijgesteld, net als die van bijvoorbeeld acupuncturisten en osteopaten.

De in 2007 ingediende motie om ook de praktijkondersteuner onder de medische vrijstelling te brengen, wordt in het kader van de herijking niet uitgevoerd. Nu ook verpleegkundigen die als praktijkondersteuner werken, niet langer onder de vrijstelling vallen - wegens het ontbreken van opleidingseisen hiervoor in de Wet BIG - zal er geen ongelijkheid tussen beiden ontstaan.

Bron: wetsvoorstellen nrs. 31704 (Belastingplan 2009) en 31705 (Overige fiscale maatregelen 2009)

[Terug naar overzicht]

Afschaffing AOW-partnertoeslag vrijwel onbekend

Weinig mensen weten dat de AOW-partnertoeslag in 2015 wordt afgeschaft. 1 op de 5 mensen is daarvan op de hoogte. Bij de mensen die gevolgen ondervinden van de afschaffing is de bekendheid groter (1 op de 3). Dat blijkt uit een onderzoek dat staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Mensen die op of na 1 januari 2015 65 jaar worden, ontvangen geen AOW- partnertoeslag meer voor hun jongere partner. Staatssecretaris Aboutaleb start een nieuwe informatiecampagne om mensen die het aangaat voor te lichten. Aboutaleb vindt het belangrijk dat mensen op de hoogte zijn van de gevolgen die deze afschaffing voor hen kan hebben, zodat zij hier tijdig op kunnen inspelen door bijvoorbeeld te sparen of een baan te zoeken.

Er komen onder meer radiospots en informatie op internet over de afschaffing van de AOW-partnertoeslag. Alle gehuwde mensen die als eersten te maken krijgen met de afschaffing van de partnertoeslag krijgen een persoonlijke brief.

Nu krijgen partners die nog geen 65 jaar zijn en geen of weinig inkomen hebben, een toeslag van maximaal 50 procent van het minimumloon, dat is ongeveer 700 euro per maand. In 1996 is besloten om de AOW-partnertoeslag per 2015 af te schaffen, omdat steeds meer vrouwen economisch zelfstandig zijn en om te stimuleren (meer) te gaan werken.

[Terug naar overzicht]

Geen kostenaftrekbeperking voor licht, gas, water van in privé behorend praktijkruimte

Als u privé-vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan uw onderneming, kunt u ten laste van de ondernemingswinst een bepaalde gebruiksvergoeding brengen. De aftrek bij uw onderneming bedraagt ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat bij uzelf voor deze bestanddelen in aanmerking wordt genomen zonder rekening te houden met het heffingvrije vermogen in box 3. Voor een ter beschikking gesteld vervoermiddel is de aftrekbeperking gesteld op € 0,19 per km (jaar 2008). Er geldt ook een aftrekbeperking van huisvestingskosten van een in privé gehouden (deel van een) onroerende zaak dat in de onderneming wordt gebruikt.

Rechtbank Breda heeft onlangs een uitspraak gepubliceerd over de reikwijdte van de aftrekbeperking van huisvestingskosten. In de procedure was de vraag aan de orde of gas, elektriciteit en water ook onder de aftrekbeperking van huisvestingskosten vallen. De procedure betrof een dierenartspraktijk van een echtpaar dat werd uitgeoefend in een praktijkruimte in de privé-woning van het echtpaar. In 2004 bedroegen de kosten voor licht, gas en water € 2.072. De inspecteur weigerde de aftrek van deze kosten door te stellen dat deze kosten onder de aftrekbeperking van huisvestingskosten zouden vallen.

Uit de wettekst maakte de rechtbank op dat de aftrekbeperking alleen van toepassing is op specifieke in de wet genoemde bezittingen, zoals bedoeld voor de bepaling van de rendementsgrondslag in box 3. Dit houdt in dat de aftrekbeperking beperkt is tot de gemaakte kosten die in verband met dit bezit (zoals een woning) zijn gemaakt zoals mogelijke huurkosten van een praktijkruimte, de onderhoudskosten en verzekeringskosten in verband met dat bezit. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gas, elektriciteit en water geen bezit in de hiervoor bedoelde zin. Daardoor kan de aftrekbeperking van huisvestingskosten niet van toepassing zijn op deze kosten. De omstandigheid dat gas, elektriciteit en water in het bezit, de woning, worden gebruikt is naar de mening van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat dat gebruik dan moet worden aangemerkt als gebruik van dat bezit of verband houdt met dat bezit.

De rechtbank concludeerde dat de kosten van gas, elektriciteit en water volledig als ondernemingskosten in aftrek konden worden gebracht en verklaarde het beroep gegrond.

Opmerking
Op 1 januari 2005 is de fiscale behandeling van de werkruimte in de eigen woning in de inkomsten-, loon-, en vennootschapsbelasting gewijzigd. Een ruimte wordt fiscaal pas als werkruimte behandeld als deze een zelfstandig gedeelte van een woning vormt en intensief wordt gebruikt voor de verwerving van inkomen.
De werkruimte moet een zodanige zelfstandigheid bezitten dat de ruimte duidelijk is te onderscheiden door uiterlijke kenmerken, bijvoorbeeld door een eigen opgang of ingang. Ook de voorzieningen in de werkruimte (zoals onder meer eigen sanitair) kunnen echter van belang zijn ter bepaling van de zelfstandigheid.
Een substantieel deel van het inkomen moet in de zelfstandige ruimte worden verdiend. Als men over een werkruimte elders beschikt, moet tenminste 70% van het inkomen in de ruimte thuis worden verdiend. Als men niet elders de beschikking heeft over een werkruimte, moet tenminste 30% van het inkomen in de ruimte thuis worden verdiend.

Maximaal aftrekbaar is 4% van de waarde over de werkruimte (bij huurwoningen: een deel van de huur) plus een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door een huurder zouden worden betaald. Een onzelfstandige werkruimte (slaapkamer, zolderkamer) en een zelfstandige werkruimte waarin onvoldoende wordt gewerkt, blijven onderdeel van de eigen woning en daarmee van de regeling van het eigenwoningforfait.

Bron: Rechtbank Breda, 20-9-2006, nr. 05/4132 (gepubliceerd 10-9-2008).

[Terug naar overzicht]


Startende ondernemer heeft veel belastingvoordeel

Wie startend ondernemer is, kan rekenen op behoorlijk wat fiscale voordelen, waardoor het met de belastingheffing wel meevalt. Een van die voordelen is de zelfstandigenaftrek. Die geldt ook voor niet-starters, maar de startende ondernemer komt daarvoor eerder in aanmerking. Om toegang te hebben tot de zelfstandigenaftrek moet worden voldaan aan het urencriterium. Dat is het geval als de ondernemer in een jaar 1225 uur gebruikt om winst uit onderneming te behalen. Bovendien moet van de tijd die wordt gebruikt voor het behalen van winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden en inkomsten uit dienstbetrekking minimaal 50% worden besteed aan de onderneming. Voor starters geldt deze 50%-eis niet. Wel moet worden voldaan aan de 1225-uren eis. Voor deze bepaling wordt als starter beschouwd de ondernemer die in een of meer van de vijf voorafgaande jaren geen ondernemer was. Als iemand slechts een gedeelte van het jaar ondernemer is, moet toch 1225 uur in de onderneming worden gewerkt, dit aantal uren wordt niet tijdsevenredig verlaagd.
Na zelfstandigenaftrek volgt startersaftrek
Heeft men eenmaal toegang tot de zelfstandigenaftrek, dan kan men ook recht hebben op de startersaftrek. Dat is het geval als de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande jaren geen ondernemer was. Dat is dus hetzelfde criterium als bij het urencriterium. Er bestaat slechts recht op maximaal drie jaar startersaftrek. Overigens is de startersaftrek een verplichte aftrekpost, je kan niet kiezen in welke van de eerste vijf startersjaren je gebruik maakt van de aftrekpost. Dat kan slecht uitkomen, bijvoorbeeld omdat het inkomen precies zó laag is dat de aftrekpost geen effect sorteert omdat hij wegvalt in de heffingskortingen. Het inkomen is dan zo laag dat de belasting erover lager is dan de heffingskortingen waar men recht op heeft. Heeft men dan geen verdienende partner, dan wordt de heffingskorting niet teruggegeven en heeft nóg een aftrekpost geen effect.

De ondernemersaftrek bedraagt een aflopend bedrag, afhankelijk van de winst. Bij een verlies of een winst tot maximaal €13.465 bedraagt de zelfstandigenaftrek €9.096. Dit bedrag loopt af tot het minimum van €4412 bij een winst van €57.360 of hoger. De startersaftrek bedraagt, onhankelijk van de sint, €2.035. Voor de ondernemer die bij aanvang van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is, worden deze bedragen gehalveerd.

MKB-winstvrijstelling van 10%
Tot slot nog een klein opstekertje: wie aan het urencriterium voldoet, heeft ook nog recht op de MKB-winstvrijstelling van 10% van de winst. Al met al valt het met de belastingheffing voor ondernemers nog wel mee, zeker de startende ondernemer krijgt de helpende hand toegereikt. Vergeet echter niet dat er ook inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet wordt geheven, dat kan een tegenvaller zijn

Voor meer informatie nodigen wij u uit voor een vrijblijvend gesprek en/of kunt u terecht bij uw accountmanager.

[Terug naar overzicht]

Percentage heffingsrente en invorderingsrente vierde kwartaal 2008 omhoog tot 5,45%

De berekening van in rekening te brengen of te vergoeden heffingsrente voor de aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting is per 1 januari 2005 gewijzigd. Voor de inkomstenbelasting geldt dit voor tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2006 en voor de vennootschapsbelasting voor tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2005. Aangrijpingspunt is niet meer de dag na afloop van het kalenderjaar maar de dag na het midden van een belastingjaar/boekjaar. Het tijdvak waarover heffingsrente wordt berekend, eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Voor een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar vormt 1 juli het aangrijpingspunt.

Voorafgaand aan elk kwartaal maakt het ministerie van Financiën het percentage heffingsrente en invorderingsrente bekend. Voor het vierde kwartaal 2008 gaat het percentage omhoog tot 5,45%.

Percentages heffingsrente en invorderingsrente uit voorgaande jaren per kwartaal:
2001: 4,70%; 4,10%; 4,45%; 4,20%;
2002: 3,45%; 3,25%; 3,25%; 3,25%;
2003: 3,25%; 3,10%; 2,50%; 2,00%;
2004: 3,50%; 3,50%; 3,50%; 3,50%;
2005: 5,00%; 5,00%; 5.00%; 5,00%.
2006: 3,50%; 3,75%; 4,00%; 4,25%
2007: 4,70%; 5,00%; 5,25%; 5,40%
2008: 5,30%: 4,75%; 5,15%; 5,45%.

Bron: Ministerie van Financiën, 21-8-2008, nr. DB2008/474M (gepubliceerd 4-9-2008).

[Terug naar overzicht]

Fiscus behandelt op oneigenlijke wijze te vergoeden heffingsrente

De inspecteur kan een voorlopige aanslag (inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting) op twee manieren verminderen. Hij kan een nadere voorlopige aanslag opleggen naar een negatief bedrag of hij kan een ambtshalve vermindering verlenen. De inspecteur heeft in beginsel de vrijheid om te kiezen langs welke weg hij het gewenste eindresultaat wil bereiken. In bepaalde situaties blijkt de vrijheid niet onbegrensd te zijn. De inspecteur is als bestuursorgaan bij zijn beslissingen ook gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat is het geval wanneer een voorlopige aanslag is opgelegd, de belasting is betaald en uiteindelijk aanzienlijk minder belasting is verschuldigd, en waarbij de keuze van de inspecteur voor ambtshalve vermindering leidt tot een rentenadeel voor de belastingplichtige. Rechtbank Breda heeft dit onlangs geoordeeld. De zaak was als volgt.

Een bv had op 31 januari 2006 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2006 opgelegd gekregen tot een bedrag van € 147.950. De bv betaalde de aanslag vervolgens in 11 maandtermijnen in 2006. Volgens de in 2007 ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2006 was de bv na verrekening van voorheffingen € 50.024 aan vennootschapsbelasting verschuldigd. De voorlopige aanslag was dus te hoog.

De inspecteur verminderde op 22 september 2007 de voorlopige aanslag ambtshalve met € 97.926 tot € 50.024. Daarbij werd invorderingsrente vergoed over het bedrag van de teruggaaf voor de periode 1 januari 2007 tot en met 22 september 2007. De bv kreeg geen heffingsrente vergoed over de periode 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006. De bv maakte tegen dit laatste bezwaar.

De bv en de inspecteur waren het over eens dat de ambtshalve vermindering ook moest worden aangemerkt als een beschikking tot het niet vergoeden van heffingsrente waartegen de bv tijdig bezwaar had gemaakt. Daardoor stond beroep bij de rechtbank open.

De rechtbank nam de wettelijke regel voor het berekenen of vergoeden van heffingsrente bij het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting als vertrekpunt. De rente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. (Voor een bv met een boekjaar dat parallel loopt met het kalenderjaar en die gedurende het hele kalenderjaar belastingplichtig is geweest, wordt de heffingsrente dus berekend over de periode van 1 juli tot en met 31 december.)

Uit de wet volgt verder dat een voorlopige aanslag door een of meer voorlopige aanslagen kan worden gevolgd. De inspecteur erkende voor de rechtbank dat hij in 2007 een tweede voorlopige aanslag over 2006 had kunnen opleggen tot een negatief bedrag van € 97.926. Hij gaf aan dat de belastingdienst in het algemeen in deze situaties een ambtshalve vermindering verleent en dat dat in overeenstemming is met het beleid van de staatssecretaris van Financiën. Hij wees daarbij op een ministerieel besluit uit 1991.

Volgens de rechtbank handelde de inspecteur met de gekozen handelwijze in strijd met enige algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de beginselen van belangenafweging en evenredigheid. Een bestuursorgaan, waaronder een belastinginspecteur, moet bij het nemen van een besluit de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Daarbij mogen de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur bij een juiste afweging van de belangen van de bv tegenover de belangen van de Staat, de vermindering van € 97.926 had moeten verlenen met een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag. In dat geval zou het rentenadeel van de bv zijn gecompenseerd. Ook vond de rechtbank dat de inspecteur in strijd had gehandeld met een ander beginsel van behoorlijk bestuur (détournement de pouvoir). Hij had de hem gegeven bevoegdheid om de belastingve rmindering te verlenen via een ambtshalve vermindering op oneigenlijke wijze gebruikt.

Over het besluit uit 1991 merkte de rechtbank op dat deze in de onderhavige situatie toepassing miste. Het besluit heeft geen betrekking op de naderhand gewijzigde regeling voor het berekenen en vergoeden van heffingsrente. Bovendien is ook de staatssecretaris gebonden aan genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, als ook opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank stelde het bedrag aan te vergoeden heffingsrente vast op € 2.719 en verklaarde het beroep van de bv gegrond.

Bron: Rechtbank 3-7-2008, nr. 07/5465 (gepubliceerd 20-8-2008).

[Terug naar overzicht]

Opnieuw btw-vragenlijst voor dga's

Bent u als directeur-grootaandeelhouder (dga) btw-plichtig? De Belastingdienst stuurde dga’s daarover rond 20 maart een vragenlijst. Wie deze vragenlijst nog niet of zonder persoonlijke gegevens of kenmerk terugstuurde, krijgt hem opnieuw.

De belastingdienst vragen deze dga's om de vragenlijst vóór 4 oktober 2008 alsnog volledig ingevuld terug te sturen.

Waarom deze vragenlijst?

In een uitspraak van 18 oktober 2007 heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat een directeur-grootaandeelhouder geen btw-ondernemer is als hij werkzaamheden uitvoert op grond van een arbeidsovereenkomst met zijn vennootschap. Eerder oordeelde de Nederlandse Hoge Raad dat dga's in bepaalde gevallen wél ondernemer zijn voor de btw.

Op basis van de antwoorden van de vragenlijst beoordelen wij of de registratie als btw-ondernemer beëindigd of aangepast moet worden. Dat laatste kan het geval zijn als de dga deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de btw. Ook willen we vaststellen of een dga nog btw moet betalen als er een einde komt aan zijn registratie als btw-ondernemer.

Meer informatie?

In het besluit van 21 december 2007 (nr. CPP2007/3160M) beschrijft de staatssecretaris van Financiën de gevolgen van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Voor meer informatie over de btw vragenlijst kunt u terecht bij uw accountmanager.

[Terug naar overzicht]

Verbouwing pand vóór verkoop: bedrijfsmiddel of voorraad

Vastgoed-ondernemers hebben vaak te maken met de vraag of een pand uit hun portefeuille als bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt, of dat het tot de voorraad moet worden gerekend. Die kwalificatie is van belang voor de toepassing van veel fiscale regels, zoals de afschrijving op het pand en bij verkoop de vorming van een herinvesteringsreserve. De vraag ‘bedrijfsmiddel of voorraad’ is nadrukkelijk aan de orde als de ondernemer een pand dat hij eerder als bedrijfsmiddel heeft geëxploiteerd, wil gaan verkopen en hij dat pand met het oog op de verkoop ingrijpend gaat verbouwen.

Als het pand bij verkoop nog steeds als bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt, kan de ondernemer de boekwinst bij verkoop belastingvrij reserveren in de HIR en die winst zo buiten de winstbelasting houden. Moet het pand tot de voorraad worden gerekend, dan is de winst bij verkoop direct belast.
De Hoge Raad heeft in een recent arrest duidelijke richtlijnen gegeven voor de beantwoording van deze rechtsvraag.

Geen bedrijfsmiddel bij verkoop
De Raad besliste dat een pand dat binnen de onderneming de functie van bedrijfsmiddel heeft, die functie pas verliest als het pand wordt verkocht, ofwel als het pand wordt aangewend voor een nieuwe ondernemingsactiviteit waarin dat pand fungeert als voor de omzet bestemde voorraad. Daarbij kunnen de handelingen die de ondernemer verricht met het oog op de verkoop van het pand, niet als een nieuwe ondernemingsactiviteit worden aangemerkt. Ook niet als die handelingen op verzoek en voor rekening van de koper worden uitgevoerd en het pand een andere functie krijgt.

Boekwinst belastingvrij reserveren
Deze uitspraak is van groot belang voor de vastgoedpraktijk. De ondernemer die een pand wil gaan verkopen dat hij eerder als bedrijfsmiddel binnen zijn onderneming heeft gebruikt, en die dat pand met het oog op de verkoop ingrijpend verbouwt of anderszins aanpast – en daarbij rekening houdt met de wensen van de aspirant koper – kan erop rekenen dat het pand de status van bedrijfsmiddel behoudt. En dat betekent dat hij de boekwinst bij verkoop van het pand belastingvrij kan reserveren in een herinvesteringsreserve.

Arrest 2006: verkoop wel nieuwe ondernemingsactiviteit
In een eerder arrest van de Hoge Raad, van mei 2006, treffen we een duidelijk voorbeeld aan van een situatie die door de belastingrechter wél als een nieuwe ondernemingsactiviteit werd aangemerkt. In die zaak had de vastgoedondernemer een pand dat hij eerder als kantoorpand had verhuurd, verbouwd tot een appartementencomplex en verkocht hij de appartementsrechten. Voor die boekwinst kon geen HIR worden gevormd. De ondernemer had een bedrijfsmiddel prijsgegeven en dat aangewend om appartementen voort te brengen die voor de verkoop bestemd waren en derhalve tot de voorraad behoorden. De verkoop van die appartementen was een nieuwe ondernemingsactiviteit.

(Bron Hoge Raad 6 juni 2008, 43515 Fida 20082223 en HR BNB 2006/269c)

[Terug naar overzicht]

Toch gebruikersbelasting mogelijk over pand in aanbouw

Gemeenten heffen onroerendezaakbelastingen (ozb) in de vorm van een eigenarenbelasting en een gebruikersbelasting. Het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelastingen op woningen is met ingang van 2006 afgeschaft, waardoor deze gebruikersbelasting sindsdien alleen nog wordt geheven van gebruikers van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. U betaalt in een bepaald jaar gebruikersbelasting als u op 1 januari van dat jaar een onroerende zaak -die niet in hoofdzaak tot woning dient, bijvoorbeeld een bedrijfspand- gebruikt.

De Hoge Raad heeft onlangs een aantal principiële arresten gewezen over de vraag of sprake kan zijn van ‘gebruik’ in de zin van de Gemeentewet van een in aanbouw zijnde onroerende zaak. De Hoge Raad heeft aangegeven in welke gevallen daarvan sprake is. Een van de procedures betrof een projectontwikkelingsmaatschappij die op 1 januari 2003 de eigendom had van grond met daarop een voor de verhuur bestemd kantoorpand in aanbouw.

De Hoge Raad geeft aan dat sprake is van gebruik van grond (en wat daarmee duurzaam is verenigd) als men ‘ter bevrediging van eigen behoefte een opstal (ver)bouwt of laat (ver)bouwen op hem ter beschikking staande grond’. De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wanneer sprake is van ‘bevrediging van eigen behoefte’. Dat is het geval als men ‘(ver)bouwt of laat (ver)bouwen met het oogmerk de zaak na gereedkoming van de bouw te bezigen voor eigen gebruik, dan wel te verhuren (of op andere titel aan een ander in gebruik te geven), dan wel te verkopen’.

De arresten leiden tot de conclusie dat projectontwikkelaars maar ook opdrachtgevers van bouwprojecten (beleggers) onder omstandigheden al onroerendezaakbelastingen (gebruikersbelasting) verschuldigd kunnen zijn over panden in aanbouw.

Bron: Hoge Raad, 8-8-2008, nr. 43349.

[Terug naar overzicht]

Afschaffing AOW-partnertoeslag vrijwel onbekend

Weinig mensen weten dat de AOW-partnertoeslag in 2015 wordt afgeschaft. 1 op de 5 mensen is daarvan op de hoogte. Bij de mensen die gevolgen ondervinden van de afschaffing is de bekendheid groter (1 op de 3). Dat blijkt uit een onderzoek dat staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Mensen die op of na 1 januari 2015 65 jaar worden, ontvangen geen AOW- partnertoeslag meer voor hun jongere partner. Staatssecretaris Aboutaleb start een nieuwe informatiecampagne om mensen die het aangaat voor te lichten. Aboutaleb vindt het belangrijk dat mensen op de hoogte zijn van de gevolgen die deze afschaffing voor hen kan hebben, zodat zij hier tijdig op kunnen inspelen door bijvoorbeeld te sparen of een baan te zoeken.

Er komen onder meer radiospots en informatie op internet over de afschaffing van de AOW-partnertoeslag. Alle gehuwde mensen die als eersten te maken krijgen met de afschaffing van de partnertoeslag krijgen een persoonlijke brief.

Nu krijgen partners die nog geen 65 jaar zijn en geen of weinig inkomen hebben, een toeslag van maximaal 50% van het netto minimumloon, dat is ongeveer € 700 per maand. In 1996 is besloten om de AOW-partnertoeslag per 2015 af te schaffen, omdat steeds meer vrouwen economisch zelfstandig zijn en om te stimuleren (meer) te gaan werken.

Bron: Ministerie SZW, 2 september 2008

[Terug naar overzicht]

Opnieuw andere opzet kinderopvangtoeslag

Staatssecretaris Sharon Dijksma van Onderwijs gaat het systeem van kinderopvang ingrijpend herzien. Het kabinet zal hiertoe binnenkort besluiten, verwachten ingewijden. Waarschijnlijk wordt de toeslag voor kinderopvang afhankelijk gemaakt van het inkomen van de meest verdienende ouder.

Uitgangspunt bij het nieuwe systeem van kinderopvang wordt het advies van de commissie-Bakker, die eerder dit jaar het kabinet adviseerde hoe meer mensen aan de slag geholpen kunnen worden.

Bakker stelde voor om de toeslag voor kinderopvang afhankelijk te maken van het inkomen van de meest verdienende ouder. Die aanpak stimuleert de minst verdiende de ouder (doorgaans de vrouw) meer te gaan werken. In het huidige systeem bepaalt het gezamenlijke inkomen van man en vrouw de hoogte van de toeslag. Vaak loopt de toeslag terug als de minst verdienende meer gaat werken

[ Bron: ANP ]

[Terug naar overzicht]

Bij naheffing bpm over buitenlandskentekenauto moet inspecteur ook wijzen op teruggaafmogelijkheid

Als u in Nederland woont en Nederland binnenrijdt in een auto met een buitenlands kenteken, bent u in beginsel bpm (belasting van personenauto's en motorrijwielen) verschuldigd. Dit lijdt in bepaalde gevallen uitzondering zoals in het geval u over een vrijstelling bpm beschikt. Zo bestaat er een bpm-vrijstelling voor werknemers en een bpm-vrijstelling voor ondernemers. Ook het gebruik in Nederland van een buitenlandse huurauto tot aan het einde van de tweede dag die volgt op de dag van binnenkomst in Nederland leidt niet tot heffing van bpm. In andere gevallen bent u wel bpm verschuldigd, maar alleen voor zover u al eerder bent aangehouden én u een 'Informatieformulier buitenlandse kentekens' (hierna informatieformulier) is uitgereikt.

Indien u met een auto met een buitenlands kenteken (geen buitenlandse huurauto) voor de tweede maal in Nederland wordt aangehouden zonder over een vrijstellingsvergunning te beschikken, dan kan een belasting van personenautos en motorrijwielen (bpm) worden nageheven met boete. Het voor naheffing belastbare feit is de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland. Een naheffing van bpm kan behoorlijk in de papieren lopen. Indien de inspecteur een naheffingsaanslag bpm oplegt, dan moet hij daarbij wijzen op de teruggaafmogelijkheid voor de bpm als redelijkerwijs ervan mag worden uitgegaan dat de auto weer duurzaam naar het buitenland wordt overgebracht. De inspecteur heeft dus een informatieplicht. Dit blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Breda. De zaak was als volgt.

Op 17 november 2006 was een toen nog in Nederland woonachtige man staande gehouden in een auto met een Frans kenteken. In januari 2004 was hij al eerder in een auto met een Frans kenteken aangehouden en was hij via het informatieformulier geïnformeerd over de mogelijkheid dat hij bpm verschuldigd zou worden. Vanwege zijn tweede aanhouding in een auto met Frans kenteken ontving hij een naheffingsaanslag bpm van Eur 2.437 met Eur 1.218 boete.

De man maakte tegen de naheffingsaanslag bezwaar, maar omdat hij het bezwaarschrift naar een verkeerd adres had gezonden, kwam het buiten de bezwaartermijn binnen. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Rechtbank Breda was het op dit punt met de inspecteur eens.

Toch had het instellen van beroep wel degelijk nut voor de man. De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de man niet had geïnformeerd over de per 1 februari 2007 ingevoerde mogelijkheid om eenmaal verschuldigde bpm alsnog terug te vragen zodra de auto weer buiten Nederland wordt gebracht. De rechtbank gaf aan dat in gevallen waarin redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden dat een auto niet duurzaam voor gebruik in Nederland is bestemd, de inspecteur de bestuurder van de auto moet wijzen op de teruggaafregeling. Nu de inspecteur dat niet had gedaan, deed de rechtbank dat alsnog.

De rechter was zelfs zo behulpzaam om in het concrete geval aan te geven wat de inmiddels naar Frankrijk geëmigreerde man precies moest doen om een deel van de verschuldigde bpm terug te krijgen nu de betreffende auto in Frankrijk was ontvreemd.

Bron: Rechtbank Breda, 3-7-2008, nr. 07/5054 (gepubliceerd 20-8-2008).

[Terug naar overzicht]

Keuze eigenrisicodragerschap WGA

Het eerstvolgende keuzemoment met betrekking tot het eigenrisicodragerschap voor de Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) komt weer dichterbij. Als eigenrisicodrager kunt u ervoor kiezen om de uitkering aan arbeidsongeschikte werknemers, gedurende maximaal tien jaar, zelf te betalen of hiervoor een particuliere verzekering af te sluiten.

Eigenrisicodrager worden zal veelal voordelig zijn als u veel personeel in dienst hebt met contracten voor bepaalde tijd en/of als er veel arbeidsongeschikt personeel van voor 2004 is. Daarnaast is eigenrisicodragerschap voor de WGA aantrekkelijk, omdat particuliere verzekeraars gunstige premies aanbieden in vergelijking met het UWV. Aan de hand van de beschikking gedifferentieerde premie WGA kunt u eventueel berekenen hoeveel voordeel het eigenrisicodragerschap u kan opleveren.

Als u vóór 1 oktober 2008 uw aanvraag bij de belastingdienst indient, kunt u per 1 januari 2009 eigenrisicodrager zijn. Daarna kan pas weer per 1 juli 2009 worden geopteerd voor het eigenrisicodragerschap. De aanvraag hiervoor moet worden ingediend vóór 1 april 2009.

[Terug naar overzicht]

Verrekenen maandaangifte omzetbelasting met vierwekenaangifte loonheffingen

Tot 1 juli werd op verzoek een teruggaaf van de maandaangifte omzetbelasting verrekend met de vierwekenaangifte loonheffingen. Dit is nu in de wet vastgelegd.

Krijgt uw omzetbelasting terug, dan kunt u uitstel van betaling vragen voor de loonheffingen. Hiervoor moet u een verzoek insturen bij uw eigen belastingkantoor. De teruggaaf omzetbelasting wordt dan verrekend met de loonheffingen. Voor meer informatie en/of het opstellen van een verzoek kunt u terecht bij uw accountmanager.

[Terug naar overzicht]

Wijziging uurloonberekening WBSO in 2009

Met ingang van 2009 wijzigt de berekening van het S&O-uurloon van medewerkers die speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verrichten. Het S&O-uurloon is bepalend voor de hoogte van de S&O-afdrachtvermindering.

Bedrijven die in 2009 gebruik willen maken van de WBSO berekenen bij het invullen van hun aanvraag zelf geen gemiddeld uurloon meer voor de medewerkers die het speur- en ontwikkelingswerk (S&O) gaan uitvoeren. SenterNovem berekent dit S&O-uurloon op basis van de aangiften loonheffingen bij de Belastingdienst. Het enige dat bedrijven moeten doen om de berekening voor 2009 door SenterNovem mogelijk te maken, is het doorgeven van de burgerservicenummers (BSN’s) van de medewerkers die in 2007 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht. Dit kan eenvoudig via Internet.

Op basis van de aangeleverde BSN’s verstrekt het UWV het fiscale loon en de verloonde uren van deze S&O-medewerkers aan SenterNovem. Deze wijziging is niet van belang voor zelfstandigen zonder werknemers en bedrijven die in 2007 geen gebruik hebben gemaakt van de WBSO. Voor deze bedrijven geldt vast gemiddeld uurloon (forfait) en zij hoeven dus geen BSN’s aan SenterNovem door te geven. Het Koninklijk Besluit over de ingangsdatum van de nieuwe berekeningswijze is op 1 september in het Staatsblad gepubliceerd.
Voor meer informatie over WBSO en/of andere vormen van subsidies kunt u terecht bij uw accountmanager.

[Terug naar overzicht]

Per 1 januari 2009 moet aangifte accijns en verbruiksbelasting elektronisch

Per 1 januari 2009 is het verplicht om de periodieke aangifte voor accijns en verbruiksbelasting elektronisch te doen.

De Belastingdienst heeft eind vorige week ruim 700 periodieke aangevers hierover een brief gestuurd. Dag- en weekaangevers ontvangen begin volgend jaar een brief. De verplichte elektronische aangifte start voor de 4-weekse periodieke aangevers op 15 januari 2009, en voor dag- en weekaangevers op 1 april 2009. Periodieke aangevers kunnen vanaf volgend jaar niet meer het aangifteformulier voor accijns- en verbruiksbelastinggoederen van www.douane.nl downloaden en per post versturen. Net als voor de omzetbelasting moeten ze vanaf dan elektronisch aangifte doen.

Informatie

Vanaf half oktober staat op www.douane.nl onder 'Veranderingen voor bedrijfsleven en Douane' ook informatie over de elektronische aangifte accijns en verbruiksbelasting. Voor vragen kan ook gebeld worden met de Nationale Helpdesk Douane, tel. (055) 577 66 55.

Bron: Belastingdienst

[Terug naar overzicht]

Digitaal procederen bij belastingrechter wordt mogelijk

Het wordt binnenkort mogelijk om digitaal te procederen bij de bestuursrechter, waartoe ook de belastingrechter behoort. De ministerraad heeft ingestemd met een daartoe strekkend wetsvoorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het digitaal procederen biedt de burger diverse voordelen. Het bevordert de toegankelijkheid van de bestuursrechtspraak. Verder kan de beschikbaarheid van digitale processtukken bijdragen aan een vermindering van de doorlooptijden bij de gerechten.

De rechtbanken Rotterdam, Dordrecht en Breda zijn al begonnen met het project ‘digitale procedure bestuursrecht’. Dat project voorziet onder meer in pilots met het elektronisch instellen van beroep en met het digitaal beheer van procesdossiers.

Het wordt overigens niet verplicht om per e-mail een beroepschrift naar de bestuursrechter te verzenden. De papieren weg blijft gewoon beschikbaar.

Het wetsvoorstel wordt nu voor advies naar de Raad van State doorgezonden en wordt pas openbaar bij het indienen bij de Tweede Kamer.

Bron: Ministerie van Justitie, 11-7-2008

[Terug naar overzicht]

 

 
 

Rotterdam
Westplein 11
3016 BM Rotterdam
Telefoon:
010 2731764

Postbus 23366
3001 KJ Rotterdam


Amsterdam
Valeriusplein 30
1075 BJ Amsterdam
Telefoon:
020 3051318

Postbus 75336
1070 AH Amsterdam


Huizen
Hoeveweg 13
1276 EZ  Huizen
Telefoon:
035 8009996


Den Haag
Leidsestraatweg 77A
2594 BB ’s-Gravenhage
Telefoon:
070 8008022


Alle vestigingen
Fax:
010 2731799


info@gerrits.ac